Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poon - (soort vis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

poon zn. ‘soort vis uit de familie der Triglidae
Vnnl. poen (mv.) in zeehanen, poen, zeebrasems [1577; Heeroma 1942]; nnl. Onze Poon ..., die elders genoemd wordt, Zee- of Knorhaan [1765; WNT].
Herkomst onbekend. In de dialecten komen ook vormen zonder -n voor, bijv. Urks pooi, Katwijks pao. De -n is oorspr. dus een meervoudsuitgang die later als onderdeel van het woord werd geïnterpreteerd, zoals in → schoen en → teen 1. Heeroma wil uitgaan van een betekenis ‘weke, vochtige massa’ en denkt aan een klankwoord pooi ‘water, borrel’. Gezien het uiterlijk van zeker de rode poon (Trigla lucerna) met zijn geprononceerde harde kop is deze hypothese niet erg waarschijnlijk. Wellicht moet men een woord poo(i) aannemen dat uit ouder *pode is ontstaan. In dat geval bestaat er misschien verwantschap met de wortel *pud- die misschien ook in → pad 2 en → paling zit.
Er zijn geen verwante woorden in andere talen.
De rode poon wordt ook wel knorhaan genoemd vanwege het knorrende geluid dat hij maakt als hij uit het water wordt gehaald. De koning van de poon is een vis uit een heel ander geslacht: de zeebarbeel of (rode) mul (Mullus surmuletus).
Lit.: K. Heeroma (1942), ‘Etymologische aantekeningen I’, in: TNTL 61, 45-77, hier 48-49

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poon2 [knorhaan] {1571, poen} etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poon 1 znw. m. ‘knorhaan’, bekend sinds 1577; in dial. ook vormen als pao, pooi. Heeroma Ts 61, 1942, 45-77 wil uitgaan van een bet. ‘weke, vochtige massa’ en denkt aan een klankwoord pooi ‘water, borrel’, maar ook vleinaam voor kind of jong dier, misschien ook voor vis? Alles zeer onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poon I (een soort schuit), — poon II (visch). Geen van beide nog bij Kil. Oorsprong onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poon 2 m. (visch), oorspr. onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

poon ‘beenvis’ -> Fries poan ‘beenvis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poon beenvis 1693 [WNT] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut