Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ponsen - (gaatjes slaan)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ponsen [gaatjes slaan] {1860-1861} van pons [werktuig om gaten te slaan] < hoogduits Punze < italiaans punzone [stoot, stempel] van latijn punctionem, 4e nv. van punctio [steek, prik], engels to punch.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pons 1 znw. m. ‘werktuig om gaten te boren’, zal wel nnl. overgenomen zijn uit nhd. punzen m., punze v., reeds 1459 mhd. punze ‘voorwerp om mee te steken’ < ital. punzone ‘stoot, stempel’, een afl. van lat. punctio ‘het steken’.

Uit lat. punctio ontstond ofra. poinçon > mnl. poensoen ‘priem, naald’, nnl. ponsoen ‘stempel’. — Men denkt echter ook dat nnl. pons < ne. punch zou zijn ontleend (Worgt 54).

ponsen ww., ondanks Kiliaen reeds vermeldt pontsen, puntsen, ponssen ‘met een priem figuren aanbrengen’, zal het ww. in de huidige bet. wel een jongere afl. van pons 1 zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† pons II znw. (werktuig om gaten in metaal te slaan). Niet bij Kil. Wsch. uit hd. punzen m., punze v. (mhd. punze m. sedert 1459), dat ontleend is aan it. punzone < lat. punctio, waaruit ook fr. poinçon > mnl. poensoen o. ‘priem, naald’, nnl. ponsoen (de). Uit het Fr. ook eng. puncheon. Niet geheel duidelijk is de verhouding van dit puncheon tot eng. punch ‘pons’, waaraan het ndl. woord ook zou kunnen ontleend zijn. — Het ww. † ponsen is eerder een jonge afl. bij pons II dan de rechtstreekse voortzetting van Kil. pontsen, puntsen, ponssen ‘met een priem figuren aanbrengen’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pons I: instrument om gate deur metaal te slaan; Ndl. pons òf uit Eng. punch/pounce/puncheon (vgl. Nnl. ponsoen, “stempel”, en Mnl. poensoen, “naald, priem”) òf uit Hd. punze(n), Mhd. punze, “voorwerp om mee te steek”, albei (Eng. en Hd.) kan via Ofr. poinçon/poinchon en It. punzone, “stempel; stoot”, verb. hou m. Lat. punctio, “gaatjie, lekplek” en m. Lat. punctus, “geprik” (ww. pungere, “prik”); hierby ww. Ndl. ponsen (by Kil pontsen/puntsen/ponssen) en Afr. pons.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ponsen ‘gaatjes slaan’ -> Indonesisch pons, puns ‘gaatjesmachine’; Sranantongo ponsu ‘gaatjes slaan, volstoppen, iets met kracht doen; met vergif vissen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ponsen gaatjes slaan 1860-1861 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut