Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pompelmoes - (grote citrusvrucht (Citrus maxima))

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Naar aanleiding van het lemma pompelmoes in het Etymologisch woordenboek van het Nederlands (zie onder) schreef Minne de Boer de paragraaf ‘Naar een integratie: het geval pompelmoes/pompelmo’ op p. 237-240 van:

De Boer wijst erop dat het eenvoudiger is om het Portugese pomo limões ‘citrusvrucht’ als basis te nemen. Het woord zou dan gevormd zijn tijdens de Portugese ontdekkingsreizen in Oost-Indië. De vorm pompelmoes is door enkele fonologische aanpassingen te verklaren; alle veronderstelde tussenvormen zijn blijkens de gegevens uit de TLF in de Franse documentatie terug te vinden.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pompelmoes zn. ‘grote citrusvrucht (Citrus maxima)’
Vnnl. pompelmoes ‘grote citrusvrucht’ in 750 stucx pompel moesen [1648; WNT], pompelmoesbomen [1661; WNT]; nnl. twee Pompelmoezen ... deze vrucht is van binnen root [1711; WNT].
Herkomst onduidelijk. Vaak is ervan uitgegaan dat pompelmoes ontleend is aan een woord in het Tamil, een Dravidische taal in Zuid-India, maar het omgekeerde moet het geval zijn: de vrucht werd, met de Nederlandse naam, uit Java in Brits-Indië geïmporteerd; ook in de oudste Franse bron waarin het woord voorkomt (1665; TLF), wordt vermeld dat het een Nederlands woord is. FvWS denkt dat het woord oorspr. “Indisch” is en dat het is beïnvloed door en/of aangepast aan de hierna genoemde Nederlandse woorden.
Het woord moet een samenstelling zijn. Het eerste lid is wrsch. pompel ‘dik, rond stuk of voorwerp’, het resultaat van in pompels vallen ‘in grote brokken uiteenvallen’, een klanknabootsend woord, dat o.a. voorkomt in de samenstelling pompel-been ‘zeer dik opgezwollen been’ [1676; WNT pompel II]; ook Duits Pumpel ‘klein, dik persoon’, Pumpelrose ‘pioenroos’. Er is ook wel gedacht dat het eerste lid een vervorming van → pompoen zou zijn (OED). Het tweede lid zou het (nauwelijks geattesteerde) woord limoes kunnen zijn, ontleend aan het meervoud van Portugees limão ‘citroen’ en dus een variant van → limoen; een oudere vorm als *pompel-limoes is in het Nederlands echter nooit aangetroffen. Een andere mogelijkheid is dat het tweede lid mnl./vnnl. moes ‘moot’ is, bijv. in aen moesen gesneden ‘in moten gesneden’ [1454-73; MNW]; de naam ‘grote moot’ zou dan slaan op de buitengewoon grote parten met grote “korrels” van deze citrusvrucht.
De naam is uit het Nederlands ontleend in verschillende Europese talen, o.a. in het Engels als (verouderd) pompelmoose, ouder pampelimouse [1697; OED], pompelmus [1696; OED], en in het Frans als pamplemousse, ouder pampelmous [1677; TLF].
Zie ook→ grapefruit (Citrus paradisi). Die vrucht is oorspr. een kruising van de in Nederland al veel langer bekende veel grotere pompelmoezen (Citrus maxima, Citrus decumana) en de zoete sinaasappel; pompelmoes is nu nog in het BN en het SN ook het gewone woord voor ‘grapefruit’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pompelmoes [grapefruit] {1648} < tamil pampalimasu.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pompelmoes znw. v. ‘oostindische citroenboom, citrus decumana’, laat-nnl. evenals ne. pompelmoose, nfra. pamplemousse, pampelimousse, die waarschijnlijk direct of indirect op het tamilwoord pampalimāsu zullen teruggaan. — > russ. pompel’mus. vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959) 71.

Het nnl. woord ziet er uit als een aanpassing aan ons taalmateriaal. Misschien is het 1ste deel aangepast aan pompoen. Minder gelukkig is de vooronderstelling dat hierin het woord pompel in 17de-eeuws pompelbeen ‘dik, gezwollen been’ zou steken vgl. nhd. pumpel ‘klein dik persoon’ (Prick van Wely Ts 32, 1913, 220 vlgg.). Op de uitgang kan mal. limoes invloed gehad hebben.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† pompelmoes znw. (citrus decumana), een indisch woord = eng. pompelmoose, fr. pampelimouse, pamplemousse is wel uit pompoen + mal. limoes (vgl. limoen) verklaard. Prick van Wely Tschr. 32, 220 vlgg. wil in het eerste deel zien pompel, bekend uit 17e-eeuws pompelbeen ‘dik, gezwollen been’ en vergelijkt hd. pumpel ‘klein dik persoon’, pumpelrose ‘pioenroos’. Beide verklaringen gaan ervan uit, dat de benaming ospr. ndl. is. (tamil pampalimâsu zou uit het Ndl. komen). A priori is echter overneming — en daarna vervorming onder invloed van een of meer der genoemde ndl. woorden — van een ospr. indische benaming waarschijnlijker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pampelmoes m., z. pompelmoes.

pompelmoes m., gelijk Fr. pamplemous(s)e, uit Eng. pompelmoose, pampelmosse, van Tamoel bambulimas.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pampelmoes s.nw. Ook pompelmoes.
1. Sitrusvrug waarvan o.a. konfyt gekook word. 2. Vissoort.
In bet. 1 uit Ndl. pampelmoes of pompelmoes (1648). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel, so genoem omdat die kleurskakering van die vis aan dié van die vrug herinner (Silva 1996). Eerste optekening in Afr. in bet. 2 by Mansvelt (1884).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1731 in bet. 1) en vanuit Afr. in S.A.Eng. (1893 in bet. 2).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pom’pelmoes (de, -moezen), als AN: vrucht van Citrus grandis (Citrusfamilie*). - Opm.: Vroeger werd in AN en nu nog wordt in BN de ’grapefruit’, die vermoedelijk uit de p. voortgekomen is (Ost. 28), eveneens ’pompelmoes’ genoemd: zie WNT 1949, Van Dale, De Clercq. - Zie ook: grape*, gideonsappel*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pompelmoes: – pampelmoes – , vrug- en pln. (spp. Citrus); herk. v. eerste lid nog omstrede (v. pomelo en pomerans I en vgl. NED en WNT), tweede lid hou wsk. verb. m. Jav. limoes uit Port. limoes (mv. v. limão, “lemoen”) – ben. pampel-/pompelmoes ook toeg. op viss. (Stromateus fiatola, fam. Stromateidae), rede v. naamgewing (in S.A. Eng. ook bek. as pampelmoes, Bluefish, Butterfish en Cape Lady) nie duidelik nie; by vRieb alleen pompelmoesboomen in geselskap v. orangie- en lemoenboomen.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

pompelmoes [grapefruit]. Kan niet met zekerheid nagespeurd worden. Het is vermoedelijk, volgens een hypothese van prof. Kern, een ineenschuiving van twee woorden, namelijk pompoen en limoes, dat in het Oudjavaans, in het Maleis en in het Lampongs voorkomt. Wat de vorming betreft, kan men het dus vergelijken met het Engelse chemiloon uit chemise + pantaloon. De door Littré gegeven afleiding uit het Tamil is te verwerpen, daar een woord als bambolimas in die taal volstrekt onmogelijk is.55** [P]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pompelmoes (Tamil pampalimāsu?)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

pompelmoes. In een zeventiende-eeuwse tekst komen wij de bastaardvloek pots pampelmoes tegen. In pots herkennen wij onmiddellijk een verbastering van God. Iets anders is het met pampelmoes. Deze variant van pompelmoes ‘grote variant van een sinaasappel’ is een onschuldig substituut en bedoeld om doorbreking van het taboe te vermijden. Op het moment dat sacrament zodanig verbasterd is dat het vervangen wordt door krent ‘gedroogde pitloze druif’, is de weg voor een verdere substitutie door een andere vrucht geëffend. Vandaar by seven sacken krenten, bij gans vijgen en pots pampelmoes.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pompelmoes ‘grapefruit’ -> Engels pompelmoose, pampelmouse ‘citrusvrucht’; Engels pomelo ‘grapefruit’; Duits Pampelmuse ‘grapefruit’; Deens pompelmus ‘grapefruit’; Frans pamplemousse ‘grapefruit; boomsoort’; Italiaans pompelmo ‘grapefruit’; Spaans pomelo ‘grapefruit’ ; Pools pompela ‘grapefruit’ ; Russisch pómpel'mus ‘soort van Oost-Indische sinaasappel’; Lets pampelmūze ‘grapefruit’; Litouws pompelmusas ‘grapefruit’; Esperanto pampelmuso ‘grapefruit’ ; Creools-Portugees (Batavia) polpoemoes ‘grapefruit’; Sranantongo pompelmusu ‘grapefruit’; Surinaams-Javaans jeruk pompelmus ‘grapefruit’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † pumpelmus ‘grapefruit, citrusfruit’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pompelmoes grapefruit 1648 [WNT] <Tamil

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut