Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

polsstok - (lange stok)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

polsstok [lange stok] {polsstock 1599} van middelnederlands pols [polsstok, peilstok, stok om vis op te jagen] (vgl. polsen).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

polsstok

Het woord is een verlenging van het ook nog wel gebruikte pols. Het heeft iets te maken met pols: handgewricht, maar niet in de zin van: een stok waarmee men springt door met de pols te draaien of iets dergelijks. Maar beide woorden, pols: handgewricht en pols: springstok zijn verwant met het Latijnse werkwoord pulsare dat kloppen, slaan betekent. In de pols voelt men het kloppen van de bloedstroom die door de slagader gaat. Mèt een pols slaat men in het water om de vissen in de richting van het net te drijven. Bekend is de zegswijze: men moet niet verder willen springen dan zijn polsstok lang is voor: men moet zijn kracht niet overschatten. Minder bekend is de aardige uitdrukking: er zit klei aan de polsstok. Daarmee wil men zeggen: dat meisje heeft geld. Steekt men de polsstok diep in het water, dan blijft er dus geen modder, maar vruchtbare klei aan hangen. En geld is immers het slijk der aarde!

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pols 2 znw. m. ‘springstok’, sedert Kiliaen, vgl. mnd. puls ‘stang met houten klos om vissen in het net te jagen’. — Afl. van polsen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pols II (springstok), sedert Kil. = mnd. puls “stang met een houten klos om visschen in ’t net te jagen”. Deze bet. is ouder dan “polsstok”. Dit woord benevens Kil. pols “klos onder aan een stok” komen van mnl. polsen, pulsen “in ’t water roeren met een stok, vooral om de visschen te jagen, pogen” (nnl. polsen), dat wel van lat. pulsâre “slaan, drijven” (NB. Kil. polssen “pulsare, trudere, protrudere”) zal komen. Hiervan ook mnl. pulssac m. “een soort net”, laat-mnl. ook polsoc “conctus, virga cum qua piscatores conctantur pisces”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pols 2 m. (stok), verkort uit polsstok, waarin pols = stootklots, verbaalabstr. van het oudere polsen, gelijk Mhd. pfulsen, uit Lat. pulsar = stooten, frequent. van pellere: z. pols 1.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pols, van ’t Lat. pulsus = slag, stoot van pulsare = kloppen; dus: aderslag. Het woord is door de Middeleeuwsche geneeskunde ingevoerd. Ook in pols(stok) is pols hetzelfde: het is de stok, waarmee men in het water slaat of stoot, om de diepte te onderzoeken. Vandaar: polsen = onderzoeken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

polsstok lange stok 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut