Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pols - (handgewricht, polsslag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pols zn. ‘handgewricht, polsslag’
Mnl. puls, pols ‘het kloppen der slagaderen, polsslag’ in die puls tekrankene oc begonste ‘ook begon de polsslag terug te lopen’ [1265-70; VMNW], entie puls in den slaep vanden hoofde ‘en het kloppen van de slagader in de slaap’ [1351; MNW-P], ‘polsgewricht’ in tfoerhooft ende den slaep ende den pols [1340-60; MNW-P]; vnnl. puls, pols ‘hartslag, polsslag; polsslagader’ [1599; Kil.], sijn pols begon te jaghen [1610-19; WNT], laet ick sijn pols eens voelen [1615; WNT]; nnl. pols ook ‘handgewricht’ in het om den pols gesloten donkerfluweelen lintje [1861; WNT uitkomen I].
Ontleend aan Latijn pulsus ‘slag, stoot, polsslag’, verl.deelw. van pellere ‘stoten, slaan, doen klinken’, zie → puls.
De betekenis ‘handgewricht’ is ontstaan doordat de slagader die langs dat gewricht loopt, het meest geschikt is om de hartslag te voelen; de vaste verbinding iemand de pols voelen ging dus betekenen ‘de vingers op (de slagader van) iemands handgewricht leggen’ en zo ging het woord ook fungeren als naam van het gewricht en het onderste deel van de arm.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pols [handgewricht] {pols, puls [het slaan of kloppen van de slagaders, slagader, pols] 1265-1270} < latijn pulsus [het slaan, het kloppen, ook gebruikt m.b.t. de polsslagader], eig. verl. deelw. van pellere [stoten, slaan], verwant met grieks pallein [schudden, passief: bonzen] (vgl. polemiek, boegseren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pols 1 znw. m. ‘handwortel’, mnl. pols, puls m. ‘het kloppen der slagaderen, pols’, evenals mnd. mhd. puls, ne. pulse > lat. pulsus ‘polsslag, pols’, dat door de middeleeuwse geneeskunde algemeen verbreid werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pols I (handwortel), mnl. pols, puls m. “het kloppen der slagaderen, pols van de hand” in de eerste bet. al bij Maerlant. Evenals hd. puls m. (sedert de 15. eeuw), mnd. puls m., eng. pulse “polsslag, pols” uit lat. pulsus resp. fr. pouls “id.”, een door de middeleeuwsche geneeskunde wijd verbreid woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pols 1 m. (bloedbeweging), gelijk Hgd. puls, Eng. pulse, Fr. pouls, uit Lat. pulsum (-us), zelfst. gebr. v.d. van pellere = stooten, slaan.

pols 3 v. (plant), een afleid. van pol 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pols (zn.) pols, handgewricht; Vreugmiddelnederlands puls <1265-1270>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1pols s.nw.
1. Reëlmatige klopping van die slagare, polsslag. 2. Gedeelte bo die handgewrig waar die klopping maklik gevoel word.
Uit Ndl. pols (al Mnl.).
Ndl. pols uit Latyn pulsus 'klopping', ook gebruik t.o.v. die polsslagaar.
D. Puls, Eng. pulse.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pols (de, -en), (ook:) kort voor polshorloge. Voor die mooie pols wil ik u hartelijk danken (in brief, 1967).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pols (Latijn pulsus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pols, van ’t Lat. pulsus = slag, stoot van pulsare = kloppen; dus: aderslag. Het woord is door de Middeleeuwsche geneeskunde ingevoerd. Ook in pols(stok) is pols hetzelfde: het is de stok, waarmee men in het water slaat of stoot, om de diepte te onderzoeken. Vandaar: polsen = onderzoeken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pols ‘handgewricht’ -> Fries pols ‘handgewricht’; Ambons-Maleis pols, fols ‘handgewricht’; Kupang-Maleis pols ‘handgewricht’; Menadonees pols ‘handgewricht’; Ternataans-Maleis pols ‘handgewricht’; Creools-Portugees (Batavia) polsoe, polls ‘handgewricht’; Negerhollands poels ‘handgewricht’; Papiaments pòls (ouder: pols) ‘handgewricht’; Sranantongo pòls ‘handgewricht; polshorloge’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pols handgewricht 1265-1270 [CG Lut.K] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1854. Iemand (aan) den pols voelen.

Eig. gezegd van den dokter, die een zieke den pols voelt, om te weten of hij koorts heeft of zwak is. Bij overdracht wordt dit gezegd, wanneer men iemands kennis of zijne gezindheid of voornemen wil te weten komen door hem uit te vragen, waarvoor ook iemand polsen (Westvl. puls(t)en van puls(t), pols, uithooren, ondertasten, Gron. puntjen) gebruikt wordt. Zie Halma, 512: Yemand de pols voelen of tasten, iemand uitvraagen of uithooren, sonder quelqu'un, l'examiner; polssen, onderzoeken, ondertasten, sonder, examiner; Waasch Idiot. 530 b; De Telegraaf, 18 Dec. 1914 (avondbl.), p. 1 k. 5: Maar daar onze verdediging in orde is, kan het ons niet interesseeren of de Duitschers ons aan den pols zullen voelen of niet. Bij Tuinman I, 314 en II, 98: ymand den pols tasten, dat ook voorkomt in Hooft's Brieven, 196; Huygens, Korenbl. II, 100; Pers, 161 b; 615 a naast iemands de pols ondertasten (Pers, 630 b); Afrik. iemand se pols voel of voel hoe iemand se pols klop of iemand pols. Het is ook mogelijk, dat we voor de verklaring van polsen moeten uitgaan van de beteekenis peilen, de hoogte van het water meten met een polsstokGewoonlijk beteekent het water polsen, het in beroering, in beweging brengen; evenzoo in het fri. yn 't wetter polskje; westvl. het water pulsen; Antw. polsen, diep door slijk of water waden.; vgl. lat. percontari, onderzoeken, vernemen, van contari, peilenMnl. Wdb. VI, 546, waar polsen vermeld wordt in den zin van pogingen doen om iets te vinden. en iemand tintelen, eig. de diepte van eene wond peilen (Kiliaen: specillo tentare vulnus), dat in de 17de eeuw zeer gewoon was en thans nog in een gedeelte van Zuid-Nederland en in Braband gebruikt wordt (Schuermans, 726 a; Hoeufft, 601; De Jager, Frequ. I, 765). In het fri.: immen oan 'e pols fiele; immen polskje; fr. tâter le pouls à qqn; hd. jem. den Puls fühlen; eng. to feel a p.'s pulse.

2142. Men moet niet verder springen dan de pols lang is.

Springt men verder dan de polsstok lang is, dan bereikt men den overkant niet en moet men in het water vallen (Spieghel, 269: niemand springht verder als sijn pols vermachVgl. ook Huygens I, 129: Hy past voor eerst zyn pols die zeker springen zal.); bij overdracht: regel uwe daden naar uwe krachten; zet de tering naar de nering, of zooals in het Bouc v. Seden staat, vs. 531 vlgg.:

 Dune moetsti niet verder strecken
 Dan dine cleedre moghen recken:
 Naer dien dattu neeringhe heves,
 So bedaerf di dattu leves.

Bij Campen, 27 vinden we opgeteekend: die veerder wil springen dan syn staff vermach, moet vallen; bij Sart. I, 7, 53: springt niet verder dan u stock raecken mag; Eckart, 496: de wîder springen will, as sîn Kluwstock reckt, fallt in 'n Slot; Starter, 350; Cats I, 479:

Maeck dat gy uw water meet:
 Maer let vooral, o goede man!
 Hoe ver uw polse reycken kan:
 Want veel te poogen sonder raet,
 En ver te springen sonder maet,
 En saken aengaen boven maght,
 Dat brenght 'er menigh in de gracht.

Zie verder Adagia 55: springht niet voorder als uwen stock lanck is, ne pennas nido majores extendas; Halma, 512; 603; Sewel, 760; Haareb. II, 191 b; III, 317 b; 318 a; Taalgids V, 151; Wander IV, 746; voor Zuid-Nederland Joos, 91; 191: springt niet verder als dat uw stok lang is; De Bo, 848: verder willen springen dan de pertse lang is; Antw. Idiot. 1193; 2057; syn. van hooger kakken als dat zijn gat is (Antw. Idiot. 44 b); in het fri.: min moat net fierder springe (of ljeappe) as de pols lang is; men moat de tsjin net to great sette, -nimme, men moet niet meer ondernemen dan men kan uitvoeren.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut