Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pollepel - (soort lepel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pollepel zn. (NN) ‘houten lepel’, (BN) ‘opscheplepel voor soep e.d.
Mnl. in de beroepsnaam ‘lepelmaker’ van Lammerecht Polleple [1336; Debrabandere 2003]. Vnnl. Twee houten pollepelen [1568; MNW], potlepel, pollepel ‘grote lepel’ [1573; Thes.].
Herkomst onduidelijk. De 16e-eeuwse vorm potlepel komt buiten de woordenboeken niet voor en is geen bewijs voor samenstelling uit → pot 1 en → lepel. Assimilatie van -tl- > -ll- is weliswaar niet onmogelijk, maar is in het Middelnederlands alleen voor Scolland in plaats van Schotland geattesteerd. Kiliaan noemt ook pol ‘hoofd, kop’ als mogelijke oorsprong van het eerste lid. Men moet daarom wrsch. denken aan een zn. pol ‘rond hol voorwerp’ dat met → peul verwant is, zie bijv. pole, peule ‘schil van peulvruchten’ [1599; Kil.] en ook mnd. pol ‘kop, punt; top van een boom’.
Wrsch. was een pollepel aanvankelijk een grote houten lepel met een rond, komvormig blad, voor gebruik bij het koken. Bij uitbreiding ontstond hieruit enerzijds de betekenis ‘grote houten lepel, van welke vorm dan ook’, die nu vooral in het NN voorkomt, en anderzijds ‘lepel met een rond, komvormig blad, van welk materiaal dan ook’, die vooral BN is. Dit laatstgenoemde voorwerp heet in het NN meestal soeplepel, een woord dat in het BN ‘lepel om soep mee te eten’ betekent en dus overeenkomt met NN eetlepel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pollepel [keukenlepel] {1348} geassimileerd uit potlepel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pollepel znw. m., reeds bij Kiliaen, maar reeds ouder blijkens de middeleeuwse familienaam Pollepel. Het meest ligt voor de hand een assimilatie uit potlepel, hoewel men ook gedacht heeft aan een verbinding van pol en lepel, waarin dan pol ‘iets komvormigs’ zou betekenen, waarvoor zie: puilen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pollepel znw., reeds bij Kil., mnl. Pollēpel als familienaam. Er is geen bezwaar tegen om potlepel voor ouder te houden: samenst. van pot en lepel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pollepel. Zuidndl. vormen als puilepel, poollepele kunnen gevoeglijk als jonge vervormingen worden opgevat en geven geen aanleiding de oude verklaring op te geven voor een splitsing pol-lepel, waarin het eerste lid bij pol zou behoren (ospr. bet. ‘lepel met rond, komvormig blad’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pollepel m., uit potlepel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pollepel staat voor pot-lepel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pollepel keukenlepel 1348 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal