Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

politiek - (staatkundig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

politiek 1 bn. ‘staatkundig; beleidsvol’
Vnnl. politique, politiek ‘staatkundig, van overheidswege’ in Ordonnantien ende Statuten Pollitique [1548; WNT], ‘burgerlijk, niet kerkelijk of militair’ in politycque rechters [1617; WNT], ‘staatkundig’ in het polityck beleyt [ca. 1625; WNT], ‘ervaren in staatkunde’ in den heer Aertsbiscop seer polityck is [ca. 1625; WNT], ‘verband houdend met de politiek’ in Politike Discoursen ‘politieke beschouwingen’ [1662; WNT]; nnl. politiek ‘betreffende de politiek’ in politieke balladen [1847; WNT], ‘staatkundig’ in gezag in politieken zin [1880; WNT wet I].
Ontleend aan het Franse bn. politique ‘staatkundig, burgerlijk’ [1370; TLF], eerder al ‘beleidsvol’ [1365; TLF], dat een geleerde ontlening is aan Latijn polīticus ‘betreffende staat en burgers’; het Latijnse woord is ontleend aan Grieks polītikós ‘id.’, een afleiding van pólis ‘stad’. Zie ook → metropool en → politie.
Grieks pólis ‘stad’ is verwant met: Sanskrit pū́r ‘stad, citadel’ (herkenbaar in de stadnaam Singapura, letterlijk ‘leeuwenstad’); Litouws pilìs ‘citadel’; < pie. *plh1-, *polh1- ‘vullen’ (IEW 798-800), zie → vol.
politiek 2 zn. ‘staatkunde; beleid’. Nnl. politiek ‘regels en praktijk inzake staatsbestuur’ in die wreede politiek! [1836; WNT], laat u ... vooral niet met de politiek in [1864; WNT], ‘staatsbeleid’ in de Engelsche politiek [1879; WNT], ook meer algemeen ‘beleid, tactiek’ in dat dit geen verstandige politiek is [1934; WNT]. Ontleend aan het Frans zn. politique ‘burgerlijke, openbare, staatkundige zaken’ [1675; TLF], eerder ook al ‘beleid, handigheid’ [1656; TLF], ‘regeringsbeleid’ [1640; TLF] en ‘staatkunde’ [ca. 1268; TLF], zelfstandig gebruik van het weliswaar later geattesteerde bn. politique (zie hierboven) of ontleend via Laatlatijn politice ‘staatkunde’ aan Grieks polītikḗ (téchnē) ‘(wetenschap van) de zaken de staat en burgers betreffende’, een afleiding van polī́tēs ‘burger’, zie hierboven. ♦ politicus zn. ‘staatskundige’. Vnnl. politicus ‘staatskundige’ in hij sprack niet als een politicus [1629; WNT], een wacker Politicus ‘een bekwame, ervaren politicus’ [1659; WNT wakker]; nnl. politicus ook ‘handig, beleidsvol persoon’ in die een onnoozele hals is, al verbeeldt hij zich een politicus te zijn [1865; WNT], ‘staatsman’ in de beste politicus uit ons midden [1866; WNT vermindering]. Ontleend aan middeleeuws Latijn politicus < klassiek Latijn polīticus ‘betreffende staat en burgers’, zie hierboven; in het middeleeuws Latijn kon dit bijvoeglijk woord ook zelfstandig worden gebruikt in de betekenis ‘persoon met politieke bezigheden, staatsman’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

politiek [staatkundig, staatkunde] {1548 als bn.; de betekenis ‘staatkunde’ 1855} < frans politique, van het lat. bn. politicus < grieks politikos [de burger betreffend, voor de samenleving geschikt, van de staatsman, van de staat uitgaand], als zn. verkort uit politikè technè (vgl. techniek), van politès [burger], van polis [stad, stadstaat], verwant met oudindisch pur- [vesting, stad], vgl. de talrijke plaatsnamen op -poer(a), -pur(a) in het gebied van de Indische beschaving, en vgl. poeri.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

polis

Ons woord polis is overgenomen uit het Franse police en dit komt van het Italiaanse polizza, dat teruggaat op een Grieks woord dat betekent: de publicatie, het bewijs. In deze ruime betekenis komt het woord polis thans niet meer voor. Wij verstaan er onder: het bewijsstuk ener bepaalde verzekering. Vroeger sprak men van een polis van assurantie, waaruit blijkt dat polis in het algemeen: overeenkomst betekende. Met het Griekse woord polis dat: stad betekent, heeft ons woord niets te maken. Dat vindt men terug in onze woorden politie, politiek en polikliniek, de plaats waar lopende patiënten medisch behandeld worden. Wel te onderscheiden van woorden die met poly- beginnen. Daar betekent het eerste deel: veel, bijvoorbeeld in polygamie (veelwijverij), polytechnisch, polytheïsme (veelgodendom) enz.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

politiek znw. v., het vroegst als bnw. bekend (16de eeuw), dan een eeuw later ook znw. < lat. politicus ‘tot de staatkunde behorend’ en wel over fra. politique.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† politiek, niet bij Kil., doch als bnw. reeds in de 16e eeuw; als znw. sedert de 17e eeuw in verschillende bett., waaronder de tegenw. gewone de jongste schijnt. Uit fr. politique < gr.-lat. polîticus.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

politiek (Frans politique)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

politiek ‘staatkundig’ -> Indonesisch politik ‘staatkundig’; Iban politik ‘staatkundig’ (uit Nederlands of Engels).

politiek ‘staatkunde’ -> Indonesisch politik ‘staatkunde; manier van optreden, tactiek’; Javaans politig, politik ‘staatkunde; sluwe streek’; Makassaars polotî́, pulitî́ ‘politiek, list’; Sranantongo politiek, politik ‘staatkunde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

politiek staatkundig 1548 [WNT] <Frans

politiek staatkunde 1855 [WNT] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

politiek correct (← Eng. politically correct), de neiging om in taalgebruik en optreden angstvallig iedere zweem van discriminatie te vermijden, vnl. inzake onderwerpen als ras, geslacht en seksualiteit. Vaak gebeurt dit onder pressie van belangengroepen, maar soms ook vrijwillig, om zo een goede indruk te maken. Politieke correctheid stamt uit het Amerika van de jaren zestig, waar het ontstond op de campussen. Het streven om vooral niet te discrimineren leidt tot veelvuldig gebruik van eufemismen. Zo worden gehandicapten in Amerika wel eufemistisch the fysically challenged ‘de fysiek uitgedaagden’ genoemd. Ook afgekort tot pc*.

In het ‘politiek correcte’ en ‘patriottisch correcte’ Amerika is het even buitengewoon ‘PC’ om in een demonstratie tegen abortus als in die vóór de invoering van de doodstraf mee te lopen. (Vrij Nederland, 05/06/93)
Met uitlatingen als deze heeft O’Rourke in zijn eentje een heel genre gecreëerd: rechtse cultuurkritiek waarom te lachen valt. In het Amerikaanse kritische spectrum vervult hij de rol van politiek totaal incorrecte ironicus. En dat is een verademing in het politiek correcte, intolerante tijdperk waarin alle mogelijke kwalijke termen door eufemismen worden vervangen, alsof de kreupelen gaan lopen als zij fysiek gehandicapten worden genoemd en de gastarbeider meer betaald krijgt nu hij wordt aangesproken met allochtoon. (HP/De Tijd, 16/07/93)
De moraal van de hedendaagse aidsprofessionals is, dat het niet goed is om te moraliseren. Dat is bijna een ‘politiek correcte’ houding geworden. (Vrij Nederland, 18/12/93)
Angela Davis was in Nederland. Ja, ze leeft nog en nee, ze heeft geen afro meer. Terloops herinnerde ze eraan dat de term ‘politiek correct’ uit de jaren zestig stamt en gebruikt werd om de zogenaamde ‘salonrevolutionairen’ mee aan te duiden: mensen die altijd precies wisten hoe de wereld verbeterd moest worden, maar, in tegenstelling tot de actievoerders, nooit iets deden om dat doel dichterbij te brengen. (Opzij, juni 1994)
Quake is het tamelijk geniale product van id-software, een bedrijfje dat zich afzet tegen alle digitale en politiek correcte conventies, en dat keer op keer toeslaat. (De Volkskrant, 19/10/96)

politiek handwerk, de dagelijkse bezigheden van politici. Sinds het begin van de jaren tachtig.

En daarom begon hij pas deze week — net zestig jaar geworden — aan zijn ‘derde leven’, dat van schrijver. Zo had hij het weliswaar altijd gewild, maar het moment van afscheid van het politieke handwerk was veel abrupter aangebroken dan verwacht. (HP/De Tijd, 26/08/94)
Wellicht durven kiezers inderdaad niet zo makkelijk hun stem uit te brengen op een partij die geen kans maakt op regeringsdeelname en zijn ze simpelweg niet onder de indruk van het zogenaamde ‘politieke handwerk’ van de partij. (HP/De Tijd, 03/03/95)
De kritiek was dat ik zogenaamd het politieke handwerk niet beheerste. (Nieuwe Revu, 26/11/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2263. Een politieke tinnegieter (of kannegieter)

is iemand, die een groot woord heeft in politieke aangelegenheden, zonder er verstand van te hebben. De benaming is ontleend aan een in 1723 door den Deen Ludvig v. Holberg uitgegeven blijspel den politiske Kandestöber, waarin zoo iemand belachelijk wordt voorgesteld. In onze taal verscheen er in 1766 eene vertaling van uit het Hoogduitsch onder den titel van: de staatkundige tingieter. Vgl. Harrebomée II, 335: Het zijn politieke tinnegieters; Handelsblad, 4 Sept. 1914, p. 5 k. 1 (avondbl.): Wat stellen die vriendelijke politieke tinnegieters zich toch eigenlijk wel voor van Nederland?; Het Volk, 17 Sept. 1913, p. 1 k. 1: Het zal dus nog maanden duren eer er volledige klaarheid is omtrent de plannen der regeering. In al dien tijd is er rijkelijk gelegenheid voor politieke tinnegieterij; Nkr. VI, 9 Nov. p. 6; Het Volk, 25 April 1914, p. 1 k. 1; 13 Dec. 1913, p. 1 k. 3; 27 Aug. 1914, p. 5 k. 4: Later zal wel blijken, hoe het precies is geweest, maar vooralsnog kunnen wij, die buiten staan en niet anders kunnen dan tin gieten, niet ontkomen aan de gedachte, enz.; De Arbeid, 2 Jan. 1915, p. 3 k. 1: Ik wensch me niet over te geven aan politieke tinnegieterij; Handelsblad, 23 Febr. 1915 (ochtendbl.). p. 2 k. 3: De Duitscher, die een der voornaamste drijfveeren was van de in het dorp bestaande politieke tinnegieterlijke club; De Telegraaf, 27 Jan. 1915 (avondbl.), p. 5 k. 1 (politieke tinnegieterij). Vgl. in het hd. kannegieszer, kannegieszerei en een ww. kannegieszern.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut