Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

polis - (verzekering, contract)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

polis zn. ‘verzekeringscontract’
Vnnl. police ‘contract, schriftelijke overeenkomst’ in dese police van asseurantie ‘dit verzekeringscontract’ [1563; WNT], contracten oft policen [1570; WNT]; nnl. polis ‘verzekeringscontract’ in polis van assurantie [1701; WNT], polissen van lijfrente; polissen van levensverzekering [1892; WNT].
Ontleend aan Frans police ‘verzekeringscontract’ [1584; TLF], eerder al ‘certificaat, bewijsstuk’ [1371; TLF], dat zelf ontleend is aan Italiaans polizza ‘schriftelijk bewijs van transactie’ [1291; DELI]. Het Italiaanse woord is ontwikkeld uit middeleeuws Latijn apodissa, apodixa ‘ontvangstbewijs, certificaat’ [13e eeuw; TLF], of rechtstreeks ontleend aan Grieks apódeixis ‘bewijsstuk, ontvangstbewijs’, gevormd uit apo- ‘af-, weg-’, zie → apo-, en deiknúnai ‘tonen’, verwant met -tijgen in → aantijgen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

polis1 [verzekering, contract] {1563} < frans police [polis, tucht, politie] < italiaans polizza, verbasterd uit middeleeuws latijn apodixa [reçu] < latijn apodixis < grieks apodeixis [het zichtbaar maken, bewijs], van apodeiknumi [ik toon, ik bewijs], van apo [weg van] + deiknumi [ik toon].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

polis

Ons woord polis is overgenomen uit het Franse police en dit komt van het Italiaanse polizza, dat teruggaat op een Grieks woord dat betekent: de publicatie, het bewijs. In deze ruime betekenis komt het woord polis thans niet meer voor. Wij verstaan er onder: het bewijsstuk ener bepaalde verzekering. Vroeger sprak men van een polis van assurantie, waaruit blijkt dat polis in het algemeen: overeenkomst betekende. Met het Griekse woord polis dat: stad betekent, heeft ons woord niets te maken. Dat vindt men terug in onze woorden politie, politiek en polikliniek, de plaats waar lopende patiënten medisch behandeld worden. Wel te onderscheiden van woorden die met poly- beginnen. Daar betekent het eerste deel: veel, bijvoorbeeld in polygamie (veelwijverij), polytechnisch, polytheïsme (veelgodendom) enz.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

polis znw. v., oudere vorm police (1563) < fra. police (sedert de 14de eeuw) ‘verzekeringsbewijs’ < ital. polizza < mlat. apodixa < gr. apódeixis ‘bewijs’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

polis znw., nog niet bij Kil. Internationaal woord, misschien op gr. apódeixis “bewijs” teruggaande. Bij ons uit fr. police?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

polis. In het Ndl. uit fr. police, gelijk de oudere vorm police (reeds 1563) bewijst. — In pl.v. “misschien” lees: “hoogstwaarschijnlijk”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

polis v. (acte), uit Fr. police, Prov. apolice, Mlat. apodissa, Gr. apódeixis = bewijs (apo, z. af; deíknunai, z. tijgen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

polis s.nw.
Skriftelike kontrak tussen 'n versekeringsmaatskappy en 'n versekerde.
Uit Ndl. polis (1563).
Ndl. polis uit Fr. police (1371) 'sertifikaat'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

po’lis: de polis betalen (betaalde, heeft betaald), (ook, volkst.:) de premie betalen voor een verzekering. - Etym.: AN polis = contract tussen maatschappij en verzekerde; schriftelijk bewijsstuk daarvan.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

polis: versekeringsbewys; Ndl. polis (1563 police) via Fr. (14e eeu) police uit It. polizza uit Ll. (a)podixa uit Gr. (a)podeixis, “bewys”, in Eng. (1565) in bet. “versekeringskontrak”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

polis ‘verzekeringscontract’ -> Indonesisch polis ‘verzekeringscontract’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

polis verzekeringscontract 1563 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut