Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

polder (bemalen land)

M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands

polder zn. ‘bemalen land’
Onl. polra ‘bedijkt en/of bemalen land’ in een Latijnse oorkonde: unum hond in polre ‘één hond (= oppervlaktemaat) in de polder’ [1130-61; Slicher van Bath], in toponiemen, bijv. Kercpolre (bij Cadzand, Zeeland) [1177-87; Künzel], Bilzekins polre (op Walcheren, Zeeland) [1181-1210; Künzel]; mnl. polre ‘bedijking in zee of rivier’ [1219; MNW-B], ‘bedijkt land in zee of rivier’ in in den langhen polre [1269; CG I]; vnnl. polder in schaden, soo in diversche Dijcken als oock Polders ‘schades zowel in diverse dijken als in zeepolders’ [1531; WNT], andere polders uuijtwateren ‘andere polders uitwateren’ [1565; WNT].
Ontstaan uit de oudere vorm polre, met epenthetische -d- zoals in → kelder. Verdere herkomst onzeker, maar wrsch. afgeleid van → pol in de betekenis ‘(hoger gelegen) aangeslibd land’ [1343; MNW], eerder ‘hoogte; graspol’. De functie van het achtervoegsel -re is onduidelijk. Zie ook → poel.
Nnd. poller, polder; nfri. polder; alle ‘bedijkt land’.
Een polre was eerst een dijk of dam in de zee of in een rivier, om een hoger gelegen stuk land, een pol, heen. Gezien de attestaties in Künzel gebeurde dit wellicht in eerste instantie in Zeeland, later in de 13e eeuw ook het land binnen die dijken (zee- en rivierenpolders). Het doel van dergelijke polders was een betere afwatering. Hiertoe werden tochten en sloten gegraven, die hun water loosden op omringend (boezem)water. Na de uitvinding van de wip-watermolen aan het begin van de 15e eeuw werden ook andere (binnendijkse en juist lager gelegen) natte gronden ingepolderd (droogmakerijen en veenpolders). Halverwege de 17e eeuw was het grootste deel van Holland en Utrecht ingepolderd (MNW-B).
Het woord polder is ontleend in verschillende talen: Duits polder [18e eeuw; Kluge]; Engels polder [1602; OED], eerder al poldre [1232; MNW-B]; Zweeds polder [1863; SAOB]; Frans polders (mv.) [1823; Rey], eerder al poldre [1805; Rey], nog eerder polre [1267; Rey]; middeleeuws Latijn poldrum [1418; OED]; Italiaans polder [1640; DELI].
Lit.: A.A. Beekman (1932), Nederland als polderland, Zutphen; MNW-B; Van der Sijs 2006a, 145-146

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek

polder. Een polder is een door waterscheidingen begrensd stuk land waarin de waterstand kan worden beheerst door bemaling, wat vroeger met molens gebeurde. In 1407 werd de eerste poldermolen in de Lage Landen neergezet: een windmolen die voor bemaling gebruikt werd in de laaggelegen kustgebieden. Maar het woord polder is al ouder: in een goederenregister van het Noord-Hollandse klooster Egmond, dat tussen 1130 en 1161 in het Latijn is geschreven, is sprake van 'unum hond in polre' ('hond' was een bepaalde landmaat). Het woord kwam later ook voor in de modern-Latijnse vormen polra, polrum. Dat bewijst dat er in het Latijn geen equivalent bestond.

De oudste Nederlandse vorm was polre. Tussen een l en een hierop volgende r werd vroeger dikwijls een d toegevoegd, en de r werd uitgesproken als /er/, waardoor pol(le)re veranderde in polder. Deze nieuwe vorm was namelijk makkelijker uit te spreken. Dezelfde verandering heeft bijvoorbeeld plaatsgevonden in daalder, kelder en zolder.

Het WNT veronderstelt dat het woord polder is afgeleid van pol met hetzelfde achtervoegsel dat we vinden in kladder (naast klad) en klodder (naast klodde). De oorspronkelijke betekenis van polder moet dan (net als van pol) zijn geweest: stuk land dat zich boven zijn omgeving verheft; vervolgens: stuk land dat om zijn hoger niveau werd omgeven door dijken of kaden, om het tegen mogelijke overstromingen van zee- of binnenwater te beveiligen. De geschiedenis steunt deze opvatting, aldus het WNT, want 'volgens A.A. Beekman in Nederland als Polderland zijn de bedijkingen aan de zee of de benedenrivieren de oudste soort van polders geweest, en, naar men weet, worden (en werden) die eerst dan aangelegd, wanneer de grond een voldoende hoogte boven den normalen vloedstand heeft. Ook zijn de eerste binnendijksche polders gemaakt van die stukken land die in den lagen, moerassigen grond het hoogst lagen. Dat later ook meren en uitgeveende plassen, na te zijn drooggemalen, polders zijn genoemd, terwijl de bodem daarvan toch vaak zeer diep ligt, doet aan de etymologie niets af: die benaming berust op een overdracht der beteekenis, waarbij het oorspronkelijke begrip verloren is gegaan.'

De bewoners van de Lage Landen waren de eersten in de wereld die zich bezighielden met het inpolderen van land. Als gevolg hiervan is het woord polder in vele talen overgenomen. In het Frans komt het woord in de dertiende eeuw voor als polre, in 1835 als poldre en sinds 1835 als le polder. In het Italiaans is in 1640 poldro genoteerd en in 1838 polder. Hieruit blijkt dat het woord in het Frans en Italiaans tweemaal is geleend. In het Engels bestaat polder sinds 1604, in het Duits sinds begin achttiende eeuw. Waarschijnlijk via het Frans is het woord in het Portugees beland als pôlder (sinds 1899). Ook in andere Europese talen is het woord geleend, vergelijk Baskisch, Bulgaars, Deens, Ests, Hongaars, Kroatisch, Noors, Pools, Roemeens, Servisch, Sloveens, Spaans, Tsjechisch, Zweeds (de laatste taal sinds 1863) polder, Russisch pol'der, Lets polderis, Litouws pòlderis, Fins polderi en Grieks polnter. Het Macedonisch heeft het woord alleen als meervoud geleend: polderi. Een student Spaans aan de universiteit van Santander merkt op: 'In het Spaans wordt el polder uitgesproken met de klemtoon op de eerste lettergreep; Spaanse woorden die eindigen op -r hebben normaal de klemtoon op de laatste lettergreep. Het meervoud luidt los polders.' Het woord wordt dan ook in het Spaans vaak gespeld als pólder.

De Nederlanders hebben het woord ook buiten het Europese continent bekendgemaakt. In het Japans kent men porudâ, dat door professor Frits Vos in 1963 als het meest recente Nederlandse leenwoord werd beschouwd (inmiddels ingehaald door in ieder geval klapschaats). In het Indonesisch, Sranantongo en Papiaments is het Nederlandse woord polder ongewijzigd overgenomen.

Overigens merkt Peter Starmans, gepensioneerd universiteitsdocent voor Nederlandse taal en cultuur te Helsinki, over het Finse polderi op:

De meeste Finnen weten niet wat ze met het woord aan moeten, want ze kennen het niet in de juiste betekenis. Dus veelgebruikt wordt het niet zo, maar voorkomen doet het toch wel in geschriften, discussies of gesprekken, die zich met 'De Lage Landen aan de zee' bezighouden.

Die opmerking zal waarschijnlijk voor meer talen gelden. Dat neemt niet weg dat het Nederlandse begrip polder in het grootste gedeelte van de wereld bekend is.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboek

polder* bemalen land 1130-1161 [Slicher]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek

polder1* [bemalen land] {in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Kercpolre 1177-1187, polre 1219, polder 1456} van middelnederlands pol [door aanslibbing gevormd land], vgl. oudnoors pollr [kleine inham van de zee], vermoedelijk te verbinden met pol [zwelling] (vgl. bul1).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands

pol’der (de, -s), (ook, verouderend:) dijk van een plantage* (A. 1) die beneden het niveau van de vloed ligt. ledere plantage op zich is dus een polder, geheel door dijken of dammen* omgeven. In Suriname noemt men die dijken polder; zoo spreekt men van voor-*, achter-* en zijpolder* () (Enc.Sur. 568). - Etym.: AN p. = gebied waarvan de waterstand alleen door bemaling op het gewenste peil kan worden gehouden. Oudste vindpl. Blom 1786. - Zie ook: dam* (I 1).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager

polder

Het typisch-Nederlandse woord polder is een afleiding van pol, dat wij nog kennen in de samenstelling graspol. De vorming van polder uit pol kan vergeleken worden met die van klodder uit klad. De oorspronkelijke betekenis van pol is: plek grond die zich boven zijn omgeving verheft en vandaar: hoger liggend stuk land dat door een dijk werd omgeven om het tegen overstromingen te vrijwaren. Dit is namelijk de oudste vorm van bedijking. Later ging men ook diepten en meren met dijken omgeven en ze daarna droogmalen. Het woord polder is in het Frans, het Duits en het Engels overgenomen. Het is een voorbeeld van de overneming van de naam mèt de zaak. Polders maken is immers een typisch-Nederlandse aangelegenheid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek

polder 1 znw. m., mnl. polre, polder m. v. ‘polder’, bij Kiliaen ook ‘dijk’; eveneens in fri. en oostfri. Vergelijk ook mnl. pol m. ‘aangeslibd land’. Daar de oudste inpolderingen die van aangeslibde stukken land waren, zal men moeten uitgaan van ‘een door aanslibbing boven het water uitstekend stuk land, dat vervolgens ingedijkt werd’ (van Lessen WNT 12, 2, 3085). — Het woord werd ontleend als nhd. polder (begin 18de eeuw), ne. polder.

C. C. Uhlenbeck PBB 26, 1901, 305 verbindt dit woord met de groep van poel, wat semantisch wel te verdedigen is; men moet dan uitgaan van de slikgronden, die langzaam uit de zee opgroeien. Maar dan is de andere verklaring toch te verkiezen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal

polder znw., mnl. polre, polder m. v. “polder”, bij Kil. ook “dijk”. Ook fri. en oostfri. Hiernaast mnl. pol m. “aangeslibd land” (of “eilandje”?), nog NHoll. en fri., dat wsch. met on. pollr m. “ronde inham van de zee” identisch is. Men kan ablaut met poel aannemen, veeleer echter moeten we de woorden bij pol brengen en van de bet. “zwelling, uitbuiging” uitgaan. Kil. polder “hoenderpark” < lat. pullârium, Kil. polder “paaltje, plank” (nog polder “meerpaal”) gaat op een rom. vorm van lat. poletrus “veulen” > “balk” (fr. poutre) terug.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement

polder. Het hier vermelde Kil. polder ‘hoenderpark’ is wsch. beter met ‘hoenderstok, hoenderhok’ te vertalen en dan niet < lat. pullârium, maar identisch met Kil. polder ‘paaltje, plank’: uit deze bet. laten zich bett. als ‘zolder’, ‘hoenderstok’ afleiden. Het woord is vooral zuidndl., wat de afl. uit het Rom. (mlat. pulletrus, poledrus, bij lat. pullus ‘jong van een dier’) bevestigt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal

polder 2 m. (ingedijkt land), Mnl. polre, *poelre (waaruit Ofra. poulre): een afleid. van poel.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen

Poel (Angelsaks pol) is een Westgerm. woord (polo), dat „waterig land” bet. Vgl. ons De Peel en polder (Mnl. polre).

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Terug naar lijst

Hosted by Meertens Instituut