Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pol - (graspol)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pol zn. ‘samenhangende klomp planten’
Onl. polla ‘kleine verhoging’ in de plaatsnaam de Polle (Overijssel) [1181; Künzel]; mnl. pol, polle ‘eilandje, laagliggend door aanslibbing gevormd land’ in Pieter Danels zoon wt den pol [1392; MNW]; vnnl. Polle, polleken ‘hoofdkruin’ [1573; Thes.]; nnl. een polletje gras ‘graspol’ [1764; WNT].
Wrsch. is de oorspr. betekenis ‘iets ronds dat uitsteekt’ en moet men het verbinden met het werkwoord puilen en mogelijk ook met → polder. Of misschien is het een variant van → bol 1.
Mnd. polle ‘kop, top, kruin’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pol1 [graspol] {1764} < middelnederduits polle, vgl. engels poll [hoofd].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pol znw. m. ‘graspol’, Kiliaen pol, polle (Sax.) ‘top, hoofdkruin’, nnl. dial. ook ‘rond koekje, mollig handje’, mnd. pol, polle ‘kop, top, kruin’, me. polle (ne. poll) ‘achterhoofd’ (indien dit niet uit mnl., vgl. Toll 47); daarentegen is on. pollr beter hiervan te scheiden, zie daarvoor: poel. — Men moet uitgaan van ‘rondachtig, omhoogstekend voorwerp’ en dan kan men verbinden met puilen. — Zie ook: polder.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pol znw. In de bet. “graspol” nog niet bij Kil., maar wel = “top” (“polle, pol. Sax.”), “kruin van het hoofd” (“polle, polleken. Sax. Fris.”). In nnl. diall. nog in andere bett. = mnd. pol (ll) m. “kop, top, kruin”. Vgl. ook oostfri. pol “rond, zwellend, vleezig”. Ablautend met puilen. Zie nog polder.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pol. Hetzelfde woord is wsch. oud-nnl. pol ‘boel, minnaar’ (mnl. ook = ‘hoorndrager’?): voor de bet.-ontw. vgl. † poen II Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pol 1 m. (struik), + Ndd. polle, Eng. poll = knobbelig uiteinde, behoort bij puilen.

pol 3 m. (handje), opgemaakt uit polle-n-handje, waarin een bijv. pol = zwellend, vleezig, bij pol 1; hierbij Fr. pote, potelé = gezwollen, vleezig (van waar popote = handje), waarover bij puit 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pol s.nw.
Saamgegroeide gras met grond en wortels.
Uit Ndl. pol (1764).
Ndl. pol uit Middelnederduits polle.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

pol '(begroeid) zandheuveltje, hoogte'
In het oosten van Nederland verstaat men onder het toponymisch grondwoord pol een 'heuveltop, (begroeid) zandheuveltje, hoogte'. Voor Overijssel is opgegeven: 'kleine verhevenheid in een anders gelijke grasvlakte'. In Noord-Holland komt pol voor in de betekenis '(hoger gelegen) aangeslibd land', in Friesland is pôle een 'afzonderlijk plekje grond, vaak iets hoger liggend dan de omgeving, klein eilandje met riet of gras begroeid'. Bij overdracht ook 'erf', daar boerderijen gewoonlijk op een hoger gelegen deel werden gebouwd. Het is verwant met polder. De basisbetekenis is 'rondachtig, omhoogstekend voorwerp', te verbinden met puilen. Oudste attestatie in plaatsnamen: 1181 kopie 15e eeuw Hermanno de Polle (→ De_Pol2)1.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 291.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pol (MiddelnederDuits polle)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pol ‘(verouderd) hoofd’ -> Engels poll ‘hoofd, kop, kruin; telling van de stemmen’; Deens puld ‘bol’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pol graspol 1764 [WNT] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut