Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pok - (puist, zweertje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pok zn. ‘puist, zweertje’
Mnl. poc, pocke ‘puistje’: pocke [1450; MNW], in het meervoud pocken vaak de aanduiding voor een ziekte (variola) met vele puistjes, in De pockskens ende maselen [1608; WNT].
Mnd. pocke (waaruit door ontlening nhd. Pocke); vnhd. pfoche; oe. pocc; alle ‘pok, puist’, < pgm. *pukka-. Mogelijk verwant met pgm. *puka- ‘rond ding’, waaruit: mnl. poke ‘soort zak, maat voor wol’ [eind 15e eeuw; MNW]; ne. poke ‘zak, buidel’; on. poki ‘buidel’. Mogelijk is er ook verband met vnnl. pogghe ‘kikker’ (met de aantekening ‘oostelijk’) [1599; Kil.] en mnd. pogge ‘kikker’. Als oorspr. betekenis zou iets als ‘zwelling, iets opgezwollens’ aan te nemen zijn. Hierbij kan dan ook met nasaalinfix on. pungr ‘buidel, beurs’ behoren. Zie ook het verkleinwoord → pukkel.
Herkomst zeer onzeker. Mogelijk verwant met Latijn bucca ‘opgeblazen wang’; al deze woorden zouden dan kunnen horen bij de wortel pie. *beu- (IEW 98) ‘zwellen’ (IEW 146). De geringe verspreiding en de late overlevering in de Germaanse talen maken grote ouderdom minder zeker, en maken eveneens onwrsch. dat deze woorden uit een substraattaal komen en verband houden met → pak 1 en → pop 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pok* [puistje] {poc(ke) [puistje, blaar] 1401-1500} naast middelnederlands poke, poocke [zak], oudnederlands poque, poke [zak, tas], oudengels pocc [puist, pok], naast poke [zak], oudnoors poki [zak]; buiten het germ. latijn bucca [de volgestopte of opgeblazen wang].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pok znw. v., mnl. pocke ‘puist, blaar’, mnd. pocke (> nhd. pocke), daarnaast oe. pocc m. ‘puist, pok’ (zie ook: pukkel). De -kk- is een kenmerk van een intensiefformatie, daarnaast staan vormen met k en g. Voor een vorm *puka kan men aanvoeren mnl. pōke ‘soort van zak’, bij Kiliaen ook ‘haren deken; krop’, nhd. dial. pfoche ‘pok’, ne. poke, on. poki ‘buidel’; voor een vorm *pug(g)a: Kiliaen pogghe (Sax.Sicamb), mnd. pogge ‘kikvors’, vgl. nnl. dial. pogge ‘big’. — Buiten het germ. alleen lat. bucca ‘opgeblazen wang’. — Dit zijn gutturaal afl. van een idg. wt. *beu, *bheu ‘opzwellen’, waarvoor men aanvoert o.a. lit. bubsù, bubsė́ti ‘opkomen van waterbellen’, osl. bujĭ ‘wild, wreed’ (IEW 98-102).

Van de idg. wt. *beu zijn in het germ. verschillende afleidingen en wel:
met dentaal vgl. puit en poel
met l vgl. pol
met s vgl. poes en puist
met n vgl. poen 2.
Naast de wt. *beu stond ook *bheu, waarvoor zie: buidel.
Toch kan men zich afvragen, of een woord van de vorm pok wel tot het oude germ. taalmateriaal behoort, te meer, omdat het alleen in een eerst laat gegermaniseerd gebied bekend is. Het beantwoordt aan lit. pukné ‘pokken’, pukslé ‘buil’ (IEW 847) en dit kan er op wijzen, dat het eerst na de klankverschuiving uit een onbekende idg. substraattaal overgenomen is, zoals vermoed kan worden voor enerzijds pak en pikken, anderzijds pop en pot.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pok znw., mnl. pocke (v.?) “puist, blaar” (ook de naam van verschillende ziekteverschijnsels). = mnd. pocke v. “id.” (nhd. pocke). Een kortere stam in ags. pocc m. “puist, pok” (eng. pock). Hierbij de afl. pukkel, Kil. puckel, pockel(e). De kk gaat op vóórgerm. qn of gn terug en ’t is niet uit te maken, of ags. pohha m. “buidel” het naast verwant is dan wel ndl. peuk(je), peukel (nog niet bij Kil.), Kil. poke “een soort zak” (reeds mnl. pōke v. m., nog dial.), ook “haren deken” en “krop”, hd. dial. pfoche “pok”, eng. poke, on. poki m. “zak”. Uit het Germ. wellicht fr. poche “id.”; eng. pochet weer uit ofr. poquette “id.”. Met û kan hier nog bij hooren ags. pûcel m. “kobold”, on. pûki m. “duivel” (oorspr. bet. “bochel” of “gebochelde”?), benevens pauk. Mnd. pogge m. v., Kil. pogghe (“Sax. Sicamb.”) “kikvorsch”, Teuth. pog “padde” zal wel een jong woord zijn, ’t geeft ons niet het recht naast vóórgerm. buq- en bug- ook bugh- aan te nemen. Een idg. buq- vinden wij in kymr. bugad “boatus, mugitus”, lat. bucca “opgeblazen wang”, gr. búktēs “opblazend” (van den wind), russ. byk, serv. bȁk (*bŭkŭ) “stier”, russ.-ksl. bučati “dreunen”, po. buczyć się “zich opblazen”, lit. bùkczus “stotteraar”, oi. búkkati “hij blaft”. De meeste van deze vormen komen van een klanknabootsend buq-, enkele er van en al de geciteerde germ. vormen veronderstellen een buq- (naast bug-) “zwellen, opblazen”, dat hoogerop met poezel en puilen verwant kan zijn. Oorspr. identiteit van deze buq-s is niet onmogelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pok. De vormen met kk zijn typische intensiefformaties naast die met k, waarvoor men geen oergerm. n-assimilatie behoeft aan te nemen: vgl. bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pok v., + Eng. pock: bijvorm van pook 1 = zak. Uit het Germ. komt Fr. poque, poche.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pokkies s.nw. Ook pokke.
Gevaarlike epidemiese siekte wat etterpuisies of -swere op die vel veroorsaak.
Afleiding met -ie en -s van Ndl. pok (Mnl. pocke 'seer op die vel in die algemeen'). Die eerste sitaat vir die epidemiese siekte in die besonder is 1608.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1859).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pok, pokken ‘puistje als symptoom van een huidziekte; epidemische huidziekte’ -> Duits Pocke ‘puistje’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect poke, ploke, poque; poques; pokes d'êwe; ploukes ‘puistje, zweertje van de pokken; littekens van de pokken; waterpokken; kliergezwellen’; Baskisch pok ‘putje, rond gaatje’ ; Indonesisch poken ‘epidemische huidziekte’; Negerhollands pokken ‘epidemische huidziekte’; Sranantongo poki (ouder: pokjes) ‘epidemische huidziekte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pok* puistje 1401-1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut