Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pof - (zn. plooi, bn. opgezet)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pof* [plooi] {pof [bolstaande plooi] 1776, vgl. pof, poffenbrood [bolletje deeg] 1599} het woord komt vooral voor in de samenstelling pofmouw; de algemene betekenis is ‘iets bols’, vgl. middelnederduits puffe, fries pof [soort broodje, bol].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pof 2 znw. v. ‘bolstaand voorwerp, zoals een pof aan een mouw’, mnd. puffe, fri. pof ‘een soort broodje, bol’ (zie: poffer). Een van de vele afl. van de idg. wort. *beu, waarvoor zie: pok.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pof znw., sedert Kil. In de bet. “plof, zware slag” = pof tusschenw. In de bet. “opgeblazen, opgezwollen voorwerp”, o.a. “pof aan een mouw” van de onomatop. basis puf- “opblazen, zwellen”, waarvan o.a. nog mnd. puffe, fri. pof(ke) (in de 16. eeuw puffe, Leeuwarden) “een soort broodje, bol”, nnl. poffer (in de tegenw. bet. nog niet bij Kil., maar wel = “pocher, praalhans”), puffen, laat-mnl. puffen wellicht = “oprispen”. Hierbij ook Antw. poef “moed, lust, fut”, ndl. (geen) puf (in iets hebben), en ook de allitereerende vorm patapoef, Antw. naar pad II ook paddepoef. Van de basis puf-, waarnaast buf-, komen allerlei woorden in germ. en rom. talen; vgl. nog bof en poef. Met ndl. op den pof, bof (koopen) vgl. hd. auf puff, fr. à pouf. — poffen ww. Sedert Kil.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pof. Met puffen vgl. ags. pyffan ‘blazen’ (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pof 3 v. (aan kleeren), uit Fr. pouf, verbaalabstr. van pouffer = opblazen, openspringen: denomin. van het met pof 1 gelijkstaande Fr. tuss. bouf, pouf.

pof 4 bijv.(opgezet), hetz. als pof 3.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pof ‘plooi’ -> Indonesisch pof ‘bouffante; gepoft uitstaand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pof* plooi 1776 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut