Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poetsen - (schoonmaken, glanzend maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

poetsen ww. ‘schoonmaken, glanzend maken’
Vnnl. eerst de vorm boetsen ‘schoonmaken’ [1562; Kil. repolio], dan poetsen, poesen ‘schoonwrijven’ in poesen en schoon maecken [1645; WNT]; nnl. poetsen ‘schoonmaken’ in het poetsen der nagelen [1716; WNT], ‘insmeren en dan glazend maken’ in de laarsjes waren versch gepoetst [1865; WNT], zijn geweer te poetsen [1875; WNT], ‘schoonborstelen’ in haar tanden ... gepoetst [1896; WNT].
Ontleend aan Duits putzen ‘schoonmaken’ [15e eeuw; Kluge], Vroegnieuwhoogduits ook butzen, waarvan de herkomst niet duidelijk is. Misschien is het ontleend aan Laatlatijn putare ‘schoonmaken’, afgeleid van putus ‘schoon’, zie → puur; misschien is het een afleiding van Butzen, (dial.) Butze, variant Putz ‘vuil, snot, kaarsvet aan kaarsenpit, enz.’ en betekent het dus oorspr. ‘snuiten, van vuil ontdoen, opknappen’ (Pfeifer); het is ook mogelijk dat beide verklaringen juist zijn en dat het ontleende en het afgeleide woord zijn samengevallen in vorm en betekenis (Kluge). Butzen ‘klokhuis, klonter, snot, enz.’ [15e eeuw; Kluge], Butz ‘klokhuis; klonter’ is wrsch. hetzelfde woord als mnl. botte ‘knop’, zie → bot 3, al is invloed van batzen ‘kleven’ en patzen ‘kladden, vlekken’ niet onmogelijk (Kluge).
Zowel In het BN als het NN betekent poetsen ook algemener ‘(het huis) schoonmaken’; in het BN is het in deze betekenis een formeler woord dan het gebruikelijke kuisen (Martin 2001, 728), zie → kuis; in het NN is het in deze betekenis daarentegen een informeel woord, naast het formelere schoonmaken, zie → schoon 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poetsen [reinigen] {1645, naast boetsen 1562} < hoogduits putzen, butzen, van Putz(e), Butz(e) [weke massa, vuil, neusvuil].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poetsen ww., eerst in de 19de eeuw < nhd. putzen ‘schoonmaken’, vroeg-nhd. butzen ‘versieren’.

Volgens Kluge-Mitzka 571 afgeleid van butz m. ‘neusvuil; kaars-snuitsel’, waarom hij uitgaat van een bet. ‘snuiten van de neus of van de kaars’, waaruit dan ‘schoonmaken’ zou zijn ontstaan. Maar het woord butzen ‘versieren’ kan in een geheel andere richting wijzen en wel op verband met de onder poets behandelde woorden, vgl. nhd. posse ‘sieraad aan beeldhouwgroepen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poetsen ww., nog niet bij Kil. Evenals zw. putsa uit hd. putzen “schoonmaken”, reeds laat-mhd. butzen “versieren”, dat verschillend verklaard wordt. Van lat. putâre “poetsen, schoonmaken”?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

poetsen. Vroeg-nhd. butzen ‘versieren’ wordt afgeleid van mhd. vroeg-nhd. butz(e) m. ‘klomp; neusvuil, kaarssnuitsel’ (vgl. bot II), en is dan het eerst gebruikt van het reinigen van neus of kaars.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pótse (ww.) poetsen; Nuinederlands poetsen <1645> < Duits putzen.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

poetsen, ww.: verwonden; plagen. Vgl. Wvl. poetsen ‘kloppen om te reinigen’. Zwitsers D. Putsch ‘stoot’, Ndd. butzen, Ndl. botsen. Klankexpressief, zoals patsen, petsen, putsen.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2poets ww.
Blink vryf.
Uit Ndl. poetsen (1645).
Ndl. poetsen uit D. putzen uit ouer butzen 'skoonmaak', onderskeidelik afgelei van Putz en Butz 'neusvuil' waaruit 'vuil in die alg.'. Die lett. bet. van putzen is 'vuil verwyder'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

poetsen (DB), ww.: kloppen om te reinigen, met de poetse ‘riemzweep’ slaan om te reinigen. Vgl. Zwitsers D. Putsch (1431) ‘stoot’; Ndd. butzen; Ndl. botsen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

poets II: borsel, blink vrywe, skoonmaak; Ndl. poetsen/boetsen, ontln. aan Hd. putzen/butzen, afl. v. Hd. putz(e)/butz(e), ouer bet. ong. “vuil verwyder” (by Kil bv. boetsen, “snutten”, d.w.s. “neus snuit”).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

poetsen (Duits putzen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

poetsen ‘reinigen’ -> Negerhollands poets ‘reinigen, boenen’; Surinaams-Javaans puts, ngeputs ‘reinigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poetsen reinigen 1645 [WNT] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1833. De plaat poetsen,

d.w.z. deserteeren, er vandoor gaan, weggaan, 'm smeren, 'm poetsenSlop, 233; V.v.d.D. 133; Rutten, 178: Poets hem maar, trek er maar van door; wegpoetsen, het hazenpad kiezen.. Ook in Zuid-Nederland is de uitdrukking de plaat (plate) poetsen naast de plaat schuren blijkens Loquela, 108; Antw. Idiot. 971; De Bo, 864 b; Schuermans, 484 b; 495 a; Claes, 186; Waasch Idiot. 522 (de dief is de plaat gepoetst) bekend, evenalsin sommige streken van Duitschland, waar gezegd wordt: die Platte putzen (Grimm VII, 1908; Dirksen II, 64); (die) Platte butzen (anno 1812; Kluge, Rotw. 304). Zie Harreb. II, 186; Schoolm. 30: Pak jij kameraad maar spoedig je biezen en poets me de plaat; bl. 159; 255; Landl. 108; Lvl. 44; M.z.A. 143; Prikk. II, 16: De radium-dief sloeg den weerloozen mannen den hoed over de oogen, toen poetste hij de plaat; De Tijd, 27 Maart 1914, p. 5 k. 1; Kippeveer II, 92; 133; enz. De eig. beteekenis is: de borstplaat of de kolfplaat gaan poetsen; dit als voorwendsel opgeven om zich te kunnen verwijderen en dan niet terugkeeren; vgl. hij is pompstokkenEen pompstok dient om den loop van het geweer schoon te maken. snijden, hij is gedeserteerd; zie no. 1810 en vgl. Om zeep gaan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal