Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poepen - (zijn gevoeg doen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

poepen 1 ww. (NN) ‘zijn behoefte doen’
Vnnl. poepen ‘een wind laten’ [1599; Kil.]; nnl. poepen ‘zijn gevoeg doen’ [1864; Calisch].
Oorspr. een klanknabootsend woord.
Mnd. pupen ‘winden laten’.
poep 2 zn. (NN) ‘stront’. Nnl. poep ‘stront’ [1924; WNT]. Afleiding van poepen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poepen1* [zijn gevoeg doen] {1599 in de betekenis ‘een wind laten’} middelnederduits pipen klanknabootsende vorming.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poepen ww., sedert Kil. Met dial. oe < û. = mnd. pûpen “poepen”. Onomatop., met gebroken reduplicatie.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poepen ono.w., + Mndd. pûpen, Eng. to pop: onomat. Van hier het verbaalabstr. poep in alle bet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1poep ww. (plat)
'n Geluid wat gepaardgaan met die ontsnap van gasse deur die anus voortbring.
Uit Ndl. poepen (1599). By Kiliaan (1599) word poep nog slegs as ww. aangetref, en by Bredero (1638) kom dit as tw. voor (Boshoff - Nienaber 1967, WNT).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1963).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

poep: wind (deur mens of dier gelaat), ook ww., windlaat; Ndl. poep en poepen (by Kil alleen ww. poepen, “submisse sive submissim pedere”, d.w.s.: “saggies wind opbreek”), word as kn. beskou.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

poepen. Alleen in het zuiden van het taalgebied noteerde ik de verwensing ga nou gauw poepen! De betekenis daarvan correspondeert met een bruusk rot op! en sodemieter op! Het is een uiting van woede en andere frustratie. Verzwakt betekent het ook: ‘ga nou toch heen, kom nou toch’, als reactie op een onjuiste bewering en dus zoveel als: ‘je hebt het helemaal bij het verkeerde eind’. Vgl. ga pissen en voor de ongelovige reactie ga nou gauw fietsen! Van Eijk (1978: 88) kent ook nog moet je poepen liefje? Schijt dan kreng! en gaat u poepen, lam! Beide betekenen ‘loop naar de maan’ of ‘ik ben zo boos op je, ik walg van je, voor mij mag je ophoepelen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

poepen ‘zijn gevoeg doen; (Vlaams) copuleren’ -> Zuid-Afrikaans-Engels poep ‘veesten’ ; Papiaments pupu ‘zijn gevoeg doen’; Sranantongo pupe, pupu, p'pu ‘zijn gevoeg doen; een wind laten’; Polynesisch pupa ‘copuleren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poepen* zijn gevoeg doen 1889 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal