Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poen - (mollig kind; patser, opschepper)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

poen 2 zn. ‘patser, opschepper’
Vnnl. poen ‘kerel, vent’, in onduidelijke ongunstige zin, in onder goe mannen als een vreck poenken leuen [1513; WNT poen II]; nnl. poen ‘opschepper, dikdoener’ in gindsche poen [1856; WNT poen II], ‘korte, dikke kerel’ in ne poenie van ne vaint ‘een poen van een vent’ [1908-24; WNT poen II], ‘opschepper’ ook in de afleiding poenig ‘dikdoenerig, patserig’ in heeren met iets poenigs [1889; WNT poen II].
Wrsch. is er geen verband met → poen 1, maar is de oorspr. betekenis ‘dikkerd, dik ding, opgeblazen ding of persoon’, een afleiding van een klanknabootsend werkwoord poenen ‘meppen, van zich af slaan’ en ook ‘zoenen’. De suggestie dat poen ‘dikdoener’ ontleend is aan het Javaans, waar poen gebruikt werd als algemene titel, en dus vergelijkbaar zou zijn met sinjeur in ongunstige zin, is wegens de zeer vroege vindplaats van poenken zeer onwaarschijnlijk (FvWS).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poen2* [mollig kind] {1873} is vermoedelijk klankschilderend, vgl. poen1. In de betekenis ‘patser’ kan het een bijzondere betekenisontwikkeling zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poen 2 znw. m. ‘dik mollig kind; dikke man of vrouw’, vgl. nnd. pūne ‘bloedzweer’. Indien men het woord niet op dezelfde manier als poen 1 verklaren wil, dus als een klankwoord, dan kan men uitgaan van een idg. wt. *beu, bheu ‘opzwellen, opblazen’. Dan kan men vergelijken woorden als noorw. puta ‘dikke vrouw’, bugge ‘fors gebouwde man’ en vooral buil.

poen 3 znw. m. ‘gemene vent, opschepper’, blijkens het verkleinwoord poenken in 1528 een vrij oud woord. Gaat men uit van de ‘opschepper’ dus de man die een ‘dikdoener’ is, dan kan het een bijzondere bet-ontw. zijn van ‘mollig, dik persoon’, waarvoor zie: poen 2.

De ontlening van het woord uit het Kromo-Javaans, waar het voor eigennamen van personen zonder andere titel gebruikt wordt (zo W. de Vries Ts 38, 1919, 284) is met recht door van Haeringen Suppl. 130 betwijfeld.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poen 2 m. (ploert), oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

poena: iemand/iets wat klein, kort en dik in sy soort is (bv. ’n seun, ’n geweer); Ndl.poen (dial. poene/poenie) toeg. o.a. op: dik, mollige kind; dik vrou; kort, dik man; dinge wat dik in hulle soort is, verb. m. ander wd. en bet. v. poen in Ndl. nie duidelik nie – slot-a in Afr. dui op “troetelnaam” (v. -a).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

poen: (Bargoens) drukke, lawaaierige en brutale kerel; iemand die al te mooi gekleed is; opschepper; lummel; patser*.

Jaap keek hem vol weerzin en wrevel aan: wat een poen was die Gijs eigenlijk, om te denken dat ie zo maar gemoedereerd een kwartje uit ze moeders portemenée zou gappe. (Het Volk, 06/06/1914)
Luister baas, je hebt je gerehabiliteerd; ik zag je voor een droge poen aan, niet in staat om een dolheid te doen… (Siegfried E. van Praag, La Judith, 1930)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1847. Poen,

d.w.z. een patser, een ploertOorsprong onbekend., een opschepper. De eigenlijke beteekenis en de afleiding van dit woord zijn onbekend; waarschijnlijk is het ontleend aan de dieventaalW. de Vries houdt het voor ontleend aan het Javaansch, waar het gebezigd wordt vóór eigennamen van personen, die geen anderen titel hebben; vgl. sinjeur (zie Tijdschrift XXXVIII, 284).. Vgl. Köster Henke, 54: Een poen, een opschepper, een gemeene vent; poenbroekie, broek, zooals de jongens op den zeedijk dragen (Jord. II, 459); poengassie, pet; Zondagsbl. v. Het Volk, 6 Juni 1914, p. 2 k. 2: Jaap keek hem vol weerzin en wrevel aan: wat een poen was die Gijs eigenlijk, om te denken dat ie zo maar gemoedereerdDit woord wordt ook aangetroffen in Menschenw. 331; Lvl. 316: Ik kwam gemoedereerd de trap op; Boefje, 7; Diamst. 142: 'k Loop gemoedereerd leeg - al drie dage bin 'k an 't afgaan; Prikk. II, 13: Zij vonden hem heel gemoedereerd bezig het radium op te bergen; Nw. School, II, 143: Die meid, hè, die liet maar gemoedereerd de inktmoppen van d'r pen vallen; V.v.d.D. 80: Van die beest-kerels, die voor vier of vijf borrelcenten iemand op straat gemoedereerd 'n ongeluk hadden geslagen: Nkr. V, 27 Mei p. 2; VII, 11 Oct. p. 2; enz Gunnink, 133: doodgemoedereerd; even zoo Jord II, 87: Die juffer zette hem doodgemoedereerd op zijn knar; bl. 270; 373. Vgl. Ndl. Wdb. IX, 910, waar de opmerking gemaakt wordt, dat gemo(e)dereerd, volt. deelw. van modereeren, fr. modérer, wellicht hier wordt opgevat als gelijkstaande met het vroegere moderaat, gematigd, kalm een kwartje uit ze moeders portemenée zou gappe; A. Jodenh. II, 8: Ziene we nou dat-ie te veel poen is dan komt-ie d'r (een dansclub) nie in; Nw. School, VIII, 214: De grootste poen van een caféhouder zou nog zoveel praatjes niet hebben; Falkl. V, 224: Een dandy, 'n hartenbreker, 'n poen; geldpoen, rijkaard; perspoen, verslaggever (Lvl. 11); poenig (Jord. II, 13; Dukro, 141; Nw. School, VII, 183; Nkr. V, 26 Febr. p. 3).

Hiernaast komt sedert de 17de eeuw een znw. poenGünther, 34 vraagt of dit eene samentrekking van lat. pecunia, geld, zijn kan. voor in den zin van geld, splint (dit in Jord. II, 378); zie De gelukte list of de bedrooge mof, 2de druk 1704, bl. 22: Doktme de helft van poen dan; J. v. Hoven, Schildery v.d. Haagsche Kermis, 1715, bl. 11: De jongens ziet men al haer Kermisgeld versnoepen, zo lang tot al haer poen haas-op is; Kluchtspel, 3, 282; Rotgans, 54; Halma, 511: Poen, geld, in de Borgoens of gaauwdiefs taal; Sewel, 645; Asschenbergh, Poëzy, 97: Jy weet wy hebben ryklyk poen; Jord. II, 146: Dat beest wou geen poen, die zorgde wel voor zijn eigen loon; bl. 182; 312; 372; 515; V.v.d.D. 18: 'n Lekkere jonge ben jij as vriend.... nogal tof as 't op poen ankomp; Harreb. II, 190: Om de poen is 't al te doen; Köster Henke, 54; V. Ginneken II, 109: blanke poen, zilvergeld; Teirl. Barg. 55; Schuermans, 493; De Bo, 877: geen poen hebben; poen dokken, geld geven, betalen; Waasch Idiot. 529; Kluge, Rotw. 169 (anno 1687): geld, punAndere benamingen voor geld zijn: bezommen, lood (Leersch. 98) ook in de samenstelling loodpot, (o.a. Menschenwee, 33; 219; 345; 365; 406; 408) en loodgebrek (Opr. Haarl. Cour. 11 April 1923, p. 1 k. 5), moem, monnie (eng, money), molm (vgl. molmboer in Peet, 84), moos (zie no. 1569), moppen, schrabbes (V. Ginneken II, 141), philippus (in Onze Volkstaal, 3, 197 b).. (Aanv.) 't Waarschijnlijkst lijkt de afl. van het hebr. melech ponem, koningsgezicht, beeldenaar, munt (vgl. eng. the king's picture).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut