Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poel - (ondiepe plas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

poel zn. ‘ondiepe plas’
Onl. puol ‘plas’ in de plaatsnaam Polgest ‘Poelgeest (Zuid-Holland)’ [918-948, kopie eind 11e eeuw; Künzel], Poelgheest ‘id.’ [1130-61, kopie ca. 1420; Künzel], in de toenaam van Beatrix de Pola [1199; Debrabandere 2003]; mnl. Philippus de Poela [1277; Debrabandere 2003], poel ‘poel, waterplas’ [1485; MNW].
Mnd. pol, pul ‘poel, waterkuil, modder’; ohd. pfuol (nhd. Pfuhl); ofri. pōl ‘plas’ (nfri. poel); oe. pōl ‘id.’ (ne. pool); < pgm. *pōla- ‘waterplas’.
Meestal worden vergeleken: Litouws balà ‘moeras’; Oudkerkslavisch blato (< Proto-Slavisch *bolto) ‘moeras’, maar het is de vraag of niet eerder op Latijn palūs ‘moeras’ en Grieks pālós, pēlós ‘slijk, klei’ moet worden gewezen en dat deze woorden dan op een substraatvorm *pal- teruggaan. In dit verband is ook te wijzen op on. pollr ‘ronde baai, vijver’ en oe. pull ‘poel, baai’ die op een pgm. *pulla- wijzen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poel* [plas] {in de vroegere Zuid-Hollandse plaatsnaam Polgest <918-948>, poel, poil 1268} middelnederduits pōl, pūl, oudhoogduits pfuol, oudfries, oudengels pōl; buiten het germ. albaans bal'të, litouws bala, oudkerkslavisch blato [moeras].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poel znw. m., mnl. poel, mnd. pōl, pūl, ohd. pfuol (nhd. pfuhl), ofri. oe. pōl (ne. pool) ‘poel, waterkuil’, waarmee wellicht ook te verbinden on. pollr ‘ronde bocht, vijver’ (H. Petersson SVS Lund 1, 1921, 205). — Men vergelijkt lit. balà ‘moeras’, osl. blato (< *bolto) ‘moeras’ — Zie: polder.

Daarnaast is rekening te houden met een contractie uit *pŭdel, vgl. mnl. pōdelpoel ‘modderpoel’, vgl. zwabisch pfudel ‘kanaal, riool, plas’, ne. puddle ‘modderplas, vuile poel’, naast pudd ‘sloot’, waarvoor zie: puit. Het is hoogst onwaarschijnlijk hier met Kluge-Mitzka te denken aan de inlassing van een d naar het voorbeeld van woordparen als buidel en buil. — Gaat men echter uit van een grondvorm *pōl, dan kan men daarnaast plaatsen behalve on. pollr ook oe. pull, pyll en nnoorw. pøyla, pøla; waarnaast misschien met vocalisme *pall- nog oostfri. paller, pallerd ‘moeras’. H. Kuhn ZfdMaf. 28, 1961, 9 wil al deze woorden beschouwen als onverschoven ontleningen aan een onbekende substraattaal en vergelijkt lat. palus ‘moeras’ en gr. palós, pelós ‘slijk, klei’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poel znw., mnl. poel m. = ohd. pfuol (nhd. pfuhl), mnd. pôl, pûl, ofri., ags. pôl m. (eng. pool) “poel, kuil met water”. Een langere stam is noorw. dial. pøla v. (*pôliôn-) “id.”. Verwant met obg. blato “meer, vijver, moeras” (*bolto; volgens een andere hypothese = lit. báltas “wit”, wegens ’t stijgende slav. accent: vgl. russ. bolóto), lit. balà “broekland, moerasland (vaak met houtgewas)”, alb. baľtɛ “moeras, modder, klei, aarde”; misschien nog oi. jam-bâla- “moeras, modder”. Verdere combinaties zijn al te gewaagd. Zie nog plas.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

poel. Het in ndd. diall. veel verbreide pudel ‘plas’ wordt wel als een hypercorrecte bijvorm beschouwd (vgl. poedel Suppl.), maar kan evengoed een onafhankelijke onomatopoëtische vorming zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poel m., Mnl. id. + Ohd. pfuol (Mhd. id., Nhd. pfuhl), Ags. pól (Eng. pool), Zw. pöl, De. pøl + Alb. bal’tε, Lit. balà, Osl. blato = moeras.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pool (zn.) plas; Aajdnederlands puol <918-948>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1poel s.nw.
Stilstaande plas water.
Uit Ndl. poel (al Mnl.).
D. Pfuhl, Eng. pool.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

poel 'plas, moerassig stilstaand water'
Onl. puol, mnl. poel 'plas, moerassig stilstaand water', ofri. pôl 'plas', nfri. poel, mnd. pol, pul 'poel, waterkuil, modder', ohd. pfuol, oe. pôl 'poel, waterkuil'. Vermoedelijk gaat het om een onverschoven ontlening aan een onbekende substraattaal, vergelijk lat. palus 'moeras'. Oudste attestaties in namen: 918-948 kopie 11e eeuw Polgest, 1130-1157 kopie ca. 1420 in Pulghest (→ Poelgeest)1, 1130-1161 kopie ca. 1420 terram que dicitur Poel (†Abtspoel, voormalige buitenplaats te Oegstgeest)2, 1198 aque que Pul dicitur (waternaam Poel, opgegaan in de Poelpolder ten oosten van 's-Gravenzande)3.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 291, 2Idem 56, 3Idem 291.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Poel (Angelsaks pol) is een Westgerm. woord (polo), dat „waterig land” bet. Vgl. ons De Peel en polder (Mnl. polre).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

poel ‘plas’ -> Deens pøl ‘(regen)plas’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors pøl ‘plas’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds pöl ‘plas’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poel* plas 0918-948 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut