Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poeha - (drukte)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poeha* [drukte] {1891} met talrijke nevenvormen als boeha {1578} bohaai, behaai [drukte om niets, kouwe drukte], waarschijnlijk gevormd van boe! + ha!

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poeha znw. o. m. ‘drukte, lawaai’, ook boeha, poehaai, vgl. bij Plantijn bohay; sedert de 18de eeuw met p geschreven. Het woord doet sterk denken aan fra. brouhaha, dat echter geen zuiver klankwoord is, maar sedert de 17de eeuw de naam voor het schreeuwen van de als duivel verklede geestelijken in het mysteriespel, af te leiden uit hebr. bārūkh hab-ba ‘gezegend zij wie daar komt’. Het zou niet onmogelijk zijn, dat ook het nnl. woord uit het middeleeuwse toneelspel voortgekomen is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poeha znw., ook boeha, poehaai. Sedert de 18. eeuw met p geschreven. Bij Plantijn reeds in den vorm bohay. Dgl. vormen ook op du. gebied. Vgl. ook fr. brouhaha. Al die vormen zijn onomatopoëtisch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boeha, boha tuss., zou komen uit het Mal. boewaja = kaaiman, een geroep om de sloepen te verwittigen die op de modderbank van Batavia vastraken; daar echter een woord bohay reeds 1573 bij Plantijn voorkomt, is dit niet waarschijnlijk; het is eerder een onomat.: vergel. Fr. brouhaha.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

behej (zn.) kouwe drukte, poeha; < Aokens Behei.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

poegaai b.nw. (geselstaal)
1. Baie moeg. 2. Dronk.
Uit gewestelike Ndl. s.nw. poechai (1698) 'onnodige of oordrewe drukte'. Uit die bet. 'drukte' van die s.nw. het die b.nw. met die bet. 'baie moeg' en 'dronk' ontwikkel. Die verband wat Silva (1996) met Ndl. pooien 'drink' lê, is klankvormlik onwaarskynlik.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1970 in bet. 1, 1942 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bobaai: – boe-/po(e)haai/bohasie – , “drukte, lawaai, rumoer”; Ndl. boha(ai)/boeha(ai)/bohei/beha(ai), sedert 16e eeu bohay en sedert 18e eeu p-vorme: po(e)ha(ai)/poehei/poehé/po(e)chai, kn. verbg. v. twee uitrw. boe en ha; v. ook hoehaai; Afr. bohasie (by Leipoldt) d. rymdwang (nasie) of kontamv. v. bohaai en orasie (Kem WFA 338).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

boha2 [drukte]. Boha, boehaai is, zoals uit de Duitse vorm Bruhai kan blijken, natuurlijk een verbastering van het Franse brouhaha. Of wij dit woord rechtstreeks aan de Fransen dan wel aan de Duitsers te danken hebben, is niet zo gemakkelijk uit te maken. Wij zouden geneigd zijn de eer van de invoer van dit woord aan de laatsten te gunnen, want de vorm poehaai, die men niet zelden hoort, wijst op ontlening uit Duitsland. De mening van prof. Veth dat het woord te verklaren is als een nabootsing van een natuurkreet, zal wel algemeen instemming vinden. Zij is ook die van Littré; zie diens artikel brouhaha. [K]

boha1 [drukte]. Een volkswoord waarvan de ware vorm en de juiste betekenis even onzeker zijn als de oorsprong. Ik zou het hier niet vermelden indien niet Van Lennep in zijn Zeemans Woordenboek het stellig als een woord van Maleise oorsprong had opgegeven. ‘Wanneer,’ zegt hij, ‘men met de sloep over de modderbank voor Batavia varende, vastraakt, moeten de roeiers er uit om te sleepen, ’t welk uit hoofde der menigvuldige kaaimannen, die zich aldaar bevinden, niet weinig gevaarlijk is. Wanneer nu de Javanen, die op de modderbank visschen, eene sloep zien vast zitten, roepen zij aan de Equipage toe bohaya, ’t welk in ’t Maleisch kaaiman betekent, ten einde men hen de sloep doe sleepen en zij er wat aan verdienen. Uit dit herhaald en luid geschreeuw der Javanen is ontstaan, dat de matrozen een schreeuwer, een rumoermaker, een bohamaker noemen.’ Deze verklaring schijnt mij niets meer dan een vernuftige inval, waarvan men zeggen kan: se non è vero, è ben trovato.

De gissing van Van Lennep is in strijd met de zekerheid die wij bezitten dat de frase ‘de bohay maken’ reeds vóór 1573 in het Nederlands bekend was. Zij komt namelijk voor in de in genoemd jaar uitgegeven Schat der Nederduytscher spraken van Plantijn. Zie daarover Van Dale.

Ik noemde de vorm van het woord onzeker. Plantijn schreef, zoals wij zagen, bohay, Van Lennep schrijft bohei of boha, Franck, Etymologisch woordenboek schrijft boeha of boha, waarnaast hij ook de Nederduitse en nieuw-Hoogduitse vormen buhé, buhai, bruhé, bruhai vermeldt. Van Dale zegt dat men in de volkstaal ook boeha, boehaai, enz., hoort. In gedrukte stukken, de woordenboeken uitgezonderd, heb ik het woord slechts eenmaal aangetroffen, namelijk in een schrijven van gouverneur-generaal Camphuys de dato 27 oktober 1688, bij De Jonge, Opkomst, VIII, p. 53. ‘Met het bohay van ’t groot Javaansch leger [...] is het gansch in rook verdwenen.’ Daarentegen hoorde ik het dikwijls uit de mond van het volk, vooral in mijn geboorteplaats Dordrecht, maar dan meestal poeha uitgesproken. Voor het geslacht wordt gewoonlijk mannelijk opgegeven; door Camphuys wordt het woord als onzijdig gebruikt.

De eigenlijke betekenis van het woord is ook moeilijk vast te stellen. Plantijn verklaart de bohay maken door ‘faire beau semblant, dissimuler ou feindre’; Waesberge, Grand Dictionaire Français-Flamen (eveneens door Van Dale aangehaald) den boha maken door ‘faindre et faire semblant d’avoir beaucoup à faire’. Volgens Van Lennep is boha ‘geschreeuw, geweld, rumoer’. In de plaats van Camphuys zou men er ‘ophef, bluf’ voor in de plaats kunnen stellen.

De waarschijnlijkste verklaring van het woord is, dunkt mij, dat het slechts een natuurkreet is, een nabootsing van de natuurgeluiden die bij een alarm, een getier, een uitkraaien van de betekenis van een zaak worden vernomen. Daaruit laat zich dan ook het best verklaren waarom er zoveel verscheidenheid in de vorm wordt waargenomen en geen stellige betekenis kan worden opgegeven. [V]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

poeha ‘drukte’ -> Frans dialect pouca ‘futiliteit, drukte om niets’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poeha* drukte 1891 [WNT boeha]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1846. Poeha maken,

hetzelfde als boeha of boha (nd. behei) maken: drukte, rumoer, leven; altijd met het bijdenkbeeld eener tegenstelling met de nietigheid der zaak, die daartoe aanleiding geeft: onnoodig geschreeuw, geraas, spektakel. Het woord wordt in den vorm bohay in de 16de eeuw vermeld bij Plantijn, en wordt verder in den regel met eene b geschreven; eerst in de 18de eeuw komt de vorm met een p voor, die thans de gewone is. Men houdt dit woord voor eene ‘koppeling der beide tusschenwerpsels boe en ha, nabootsingen der geluiden, die vanzelf of opzettelijk worden uitgebracht, b.v. door dengene die een ander wil opjagen of verschrikken, of in 't algemeen bij een alarm, een getier’; zie Ndl. Wdb. III, 78-80; Ten Doornk. Koolm. II, 778 b: pust-ha of puha maken; Molema, 329 b; in Drente poehaan, windmaker, pochhans; vgl. no. 1818 en het fr. brouhaha.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut