Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pochen - (opscheppen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pochen ww. ‘opscheppen’
Vnnl. pocchen ‘zich trots opstellen’ [1562; Toll.], pochen ‘snoeven, grootspreken’ [1573; WNT], ‘prat gaan (op)’ in die op haer ouders pogt [1622; iWNT]; nnl. pochen ‘opscheppen, hoog opgeven (over)’ in dat zwetst, dat pocht [1796; WNT].
Wrsch. ontleend aan Duits pochen ‘opscheppen’ [16e eeuw; Pfeifer], eerder al ‘slaan, kloppen’ [13e eeuw; Kluge], ouder puchen ‘plunderen’, bochen ‘slaan, kloppen’, hetzelfde klanknabootsende woord, met Hoogduitse klankverschuiving, als → beuken. Het is ook mogelijk dat de klanknabootsende wortel een aantal varianten had, *buk-, *puh-, en mogelijk ook *puk-, die zich in het Nederlands ontwikkelden tot beuken, pochen en → poken (WNT). De betekenis ‘opscheppen’ kon ontstaan uit ‘doffe klappen maken, zich op de borst slaan’. Steun hiervoor bieden de attestaties van mnl. pokerije ‘bluf’, groitpoicker ‘grootspreker, opschepper’, hoigh poicken ‘opscheppen’ [alle 1477; Teuth.].
Nzw. pocka, nde. pukke ‘pochen, vitten’, beide wrsch. ontleend via het Nederduits.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pochen [snoeven] {1573, vgl. groitpoicker [snoever], pokerije [opschepperij] 1477} < hoogduits pochen [stoten, pochen], middelhoogduits puchen, bochen [slaan, stoten], vgl. middelengels poken [duwen] (engels to poke).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pochen ww., sedert de 16de eeuw, zal wel uit nhd. pochen overgenomen zijn, dat in mnd. en vroegnhd. de bet. ‘pralen’ aangenomen had, eig. van het kloppen op de tafel van iemand die aan het grootspreken is. Het woord betekent eigenlijk ‘slaan, kloppen’ en is onder beuken behandeld.

Minder waarsch. is een nnl. woordvorming in aansluiting aan poken en beuken (J. H. van Lessen WNT 12, 2, 2908), daar het woord eerst zo laat optreedt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pochen ww., sedert de 16. eeuw. Kil. geeft de bett. “bacchari, debacchari: tonare murmure et verberibus: et iactare, iactilare, venditare, ampullari”. De oorspr. bet. was “met lawaai slaan”: vgl. voor de bet.-ontwikkeling de bij boffen, bluffen geciteerde woorden. In letterlijke en overdrachtelijke bet. is het ww. overgenomen uit hd. pochen “kloppen, geraas maken, pochen” (mhd. bochen) = mnd. bōken “id.”. Zie verder beuken en ook den anlautsvariant poken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pochen ono.w., uit Hgd. id.= beuken: z.d.w.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pochen (Duits pochen)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pochen, van den Germ. wt. puk: slaan, levenmaken, blazen (vgl. nog ons poe! en puh!), vandaar kreeg pochen (dat in ’t Hgd. nog kloppen, slaan bet.) bij ons de bet. van: winderig optreden, grootspreken, snoeven.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pochen snoeven 1573 [Plantijn] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut