Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pluto - (god van de onderwereld)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Pluto en andere planeten

Al duizenden jaren lang is bekend dat er naast sterren ook andere hemellichamen zijn, die een afwijkende baan beschrijven. De oude Grieken kenden vijf van zulke bijzondere objecten; ze noemden ze ‘planetes’. Het woord planeet is een afleiding van het Griekse werkwoord planan (‘dwalen, zwerven’). De ‘dwaalsterren’ kregen de namen van Griekse goden: Hermes, Aphrodite, Ares, Zeus en Kronos, door de Romeinen vertaald in de nog steeds gangbare benamingen Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus.
Vóór de Grieken hadden de Babyloniërs ook de zon en de maan als planeten beschouwd. Op de in totaal zeven hemellichamen baseerden de Babyloniërs – en in navolging van hen de Grieken en Romeinen – de zevendaagse week. Iedere dag van de week is genoemd naar een planeet of de bijbehorende god: zaterdag naar Saturnus, zondag en maandag naar de zon en de maan, en dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag naar Germaanse equivalenten van de Romeinse goden: Thingsus (Mars), Wodan (Mercurius), Donar (Jupiter) en Frija (Venus).

Uranus
Het zou tot ver na de Oudheid duren voordat er een nieuwe planeet werd ontdekt. Op 13 maart 1781 nam de Hannoverse astronoom Friedrich Wilhelm Herschel door een zelfgebouwde telescoop een ‘komeet’ met een bijzondere baan waar, die door de Franse wiskundige Bochart de Saron werd geïdentificeerd als een heuse planeet. De ontdekker mocht een nieuwe naam bedenken. Ter ere van koning George III van Engeland, die tevens over Hannover regeerde, stelde Herschel de naam Georgium Sidus voor (‘de ster van George’).
Sterrenkundigen uit andere landen waren niet zo weg van deze vondst, temeer omdat het hemellichaam in kwestie geen ster was. De Fransman Lalande opperde de nieuwe planeet naar de ontdekker Herschel te noemen. Anderen borduurden voort op de mythologie: de Zwitser Bernoulli bracht Hypercronius naar voren (‘boven Saturnus’), de Zweed Prosperin pleitte voor Neptunus, en de Duitser Bode voor Uranus, de Griekse god van de hemel. Bodes voorstel kreeg de meeste bijval, maar de internationale erkenning liet op zich wachten: pas in 1850 verkoos de gezaghebbende Engelse Nautical Almanac deze naam boven Georgium Sidus.

Neptunus
In de negentiende eeuw werd op basis van onregelmatigheden in de omloopbaan van Uranus vermoed dat zich verder verwijderd van de zon nog een andere planeet bevond. Deze werd in 1846 nagenoeg gelijktijdig ontdekt door John Couch Adams en Urbain Le Verrier. Tussen de twee astronomen ontstond een hevige rivaliteit, die tot een controverse bij de naamgeving leidde. Le Verrier had graag gezien dat de planeet naar hemzelf werd genoemd; daarnaast waren er verschillende voorstellen in de mythologische sfeer, onder meer Oceanus en Janus. Eind 1846 koos de astronomische gemeenschap definitief voor een eerder voorstel van Le Verrier: een benoeming naar de Romeinse god van de zee, Neptunus.

Pluto
In 1894 richtte de rijke Amerikaanse zakenman en astronoom Percival Lowell in Flagstaff (Arizona) het Lowell Observatory op. Lowell was vastbesloten een nóg verder verwijderde planeet te vinden, die hij “Planet X” noemde. Na Lowells dood in 1916 stopte de zoektocht, maar in 1929 nam het Lowell Observatory de jonge onderzoeker Clyde Tombaugh in dienst, die op 18 februari 1930 het bestaan van de planeet kon bewijzen aan de hand van een vergelijking van foto’s. Het observatorium kreeg van het publiek meer dan duizend suggesties voor de naam van de nieuwe planeet. De weduwe van Lowell stelde achtereenvolgens voor: Zeus, Lowell en haar eigen naam Constance. Uit de ingezonden brieven kwamen echter twee namen naar voren die op de klassieke mythologie waren gebaseerd: Minerva en Pluto. De naam Minerva was al aan een asteroïde gegeven, dus besloot de staf van de sterrenwacht de naam van de god van de onderwereld voor te leggen aan de American Astronomical Society en de Royal Astronomical Society of England, die het voorstel aannamen. Als symbool werden de letters P en L gekozen, de initialen van Percival Lowell, die de ontdekking in 1905 had voorspeld.

Exotisch
Zo is de afgelopen drie eeuwen elke nieuw ontdekte planeet in ons zonnestelsel genoemd naar een klassieke godheid. Zal dat in de toekomst zo verder gaan? Nee, want de kans dat er ooit nog een nieuwe planeet van de zon wordt ontdekt, is nihil. Zelfs Pluto heeft niet meer de status van een planeet, maar van een zogeheten ‘dwergplaneetʼ. Onder de nieuwe categorie dwergplaneten, in 2006 ingevoerd door de Internationale Astronomische Unie, vallen talrijke kleine hemellichamen. Die kunnen echter ook exotische namen hebben, bijvoorbeeld Haumea (genoemd naar de Hawaïaanse godin van de vruchtbaarheid) of, naar de schepper van de mensheid volgens de religie van de Paaseilanden: Makemake.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2016), ‘Pluto en andere planeten’, in: Onze Taal 12, 14.]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Pluto [god van de onderwereld] {1517} < latijn Pluto(n) < grieks Ploutōn = Ploutodotès [gever van rijkdom], van ploutos [rijkdom] (vgl. plutocratie) + dotès [gever], van de stam van didōmi [ik geef], verwant met latijn daredata.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Hades (Gr. Hadês: de onzichtbare) was volgens de Grieksche godenleer de derde zoon van Kronos (den Tijdgod) en Rhea; hij was dus de broeder van Zeus (Jupiter; de opperhoofdgod) en Poseidon (Neptunus; zeegod). Bij de verdeeling der wereld tusschen de drie broeders viel aan Hades (bij de Romeinen Pluto) de onderwereld ten deel. Daar, diep onder de aarde, troont hij als heerscher over de afgestorvenen (het zoog. schimmenrijk). Zoo diep onder zijn woning als de aarde onder den hemel is, ligt de Tartarus met ijzeren muren omgeven en de sombere plaats, waarin zware misdadigers hun straf ondergaan, o. a. de Titanen (zie “Pan”). Hades is de wreede en gevoellooze god; geen bidden of smeeken kan hem vermurwen (d.w.z. wie dood is, kan het leven van hem niet weer terugkrijgen). Hij rijdt op een wagen door vier zwarte paarden getrokken door zijn schimmenrijk.
Onder Hades verstaat men ook wel het rijk van den god, dus het schimmen- of doodenrijk (de onderwereld) zelf: bijv.: Iemand werd naar den Hades verwezen. Dit rijk van Hades was door 5 stroomen omgeven, allen even somber: Acheron (zie Charon) vol van de zuchten der stervenden; Kocytus: vol van het gehuil over de dooden; Pyriphlegaton: met vlammende golven; Styx: de zwarte stroom, verschrikkelijk te zien; slechts uit den weldadigen Lethe drinken de zielen der afgestorvenen vergetelheid, nl. van hun zorgen en kommer op aarde.
Aan den ingang van Hades waakt Cerberus (z. d. w.). Naast Hades lag Elysium (z. d. w.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut