Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plus - (vermeerderd met; rekenteken, gunstig element)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plus voorz. ‘vermeerderd met’; zn. ‘rekenteken; gunstig element’
Vnnl. plus ‘rekenteken dat optelling aangeeft’ in so salmen die adderen met plus oft meer ‘dan moet men ze optellen met plus ofwel meer’ [1537; Kool], dat plus ‘het teveel, het overschot’ [1577; Kool], ‘vermeerderd met’ in soo veel als sy alle dry ingheleyt hebben plus 1/2 ‘zoveel als zij alle drie ingelegd hebben plus de helft’ [1597; Kool]; nnl. plus ook ‘groter dan nul’ in daar het Teken Plus ... voor staat ... Affirmative Grootheden ‘... positieve getallen’ [1714; WNT], ook ‘overschot, gunstig saldo’ in een plus van ca. f. 5000 [1888; WNT], ‘gunstig element, punt van positieve waardering’ in er zijn minnen, maar ook plussen [1970; Van Dale].
Ontleend aan Latijn plūs ‘meer’, uit Vroeglatijn plous < *pleus, een vervorming, door associatie met minus ‘minder’, van *pleos, een afleiding van de Proto-Indo-Europese wortel van → vol. Het gebruik als voorzetsel met de betekenis ‘vermeerderd met’ is in de middeleeuwen in de handel ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plus [plusteken] {1537} < latijn plus [meer], verwant met grieks polu [veel], pleion, pleon [meer], oudindisch puru- [veel]. Het tegenovergestelde min [minteken] {1537} < latijn minus (vgl. miniem).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

plus (Latijn plus)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Plus (Lat. comp. van multus = veel). Als term voor de bewerking optellen in gebruik sedert ca. 1500.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plus ‘plusteken’ -> Indonesisch plus ‘met, en; plusteken; surplus; en meer; super-’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plus plusteken 1537 [Kool] <Latijn

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

plus modaal, meer verdienend dan de modale werknemer. → Jan* Modaal; modaal*.

De nieuwe zender RTL5 zal zich vooral richten op jongeren, de plus modaal verdienende hoger opgeleiden en mannen. (Nieuwe Revu, 30/06/93)

plussen en minnen, puzzelen; iets uitcijferen; de voor- en nadelen van iets afwegen. Informeel.

Zo heb ik veel zitten plussen en minnen bij de (vele) zinnen met dubbele ontkenningen. (Trouw, 27/01/95)
Ik ben geen steriele boekhouder die een beetje zit te plussen en te minnen. (Elsevier, 30/09/95)
Als je de Bulls bekijkt, als je plust en mint, als je nuchter nadenkt, dan zie je een hele matige groep spelers bijeen, geleid door een dromer. (Nieuwe Revu, 10/06/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut