Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pluim - ((grote) veer, verenbos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pluim zn. ‘(grote) veer, verenbos’
Mnl. plume ‘vogelveer’ in op bedden. ende op plumen Te liggene ‘op een veren bed te liggen’ [1265-70; CG II], uogle met sconen plumen ende uloglen ‘vogels met prachtige veren en vleugels’ [1287; CG II]; vnnl. pluim ‘veer’ in Pluymen van Spaengien, die men op de bonetten draecht ‘Spaanse veren die men op de mutsen draagt’ [1551; WNT], ‘bosje veren of een bundel van ander materiaal’ [1660; WNT], ‘rookpluim’ [1686; WNT]; nnl. pluimpje ‘eerbetoon, compliment’ in Hy wil 't pluimtje daar van hebben. Dat is, de dank en lof [1726; WNT].
Vroege ontlening, in het kader van handel in ganzenveren en -dons met Rome, aan Latijn plūma ‘dons; veer’, wrsch. verwant met → vlies.
Veren werden vaak ter versiering op helmen en hoeden gestoken, vandaar figuurlijk een pluim op zijn hoed of kortweg een pluimpje ‘een compliment’.
pluimage zn. ‘gevederte’. Vnnl. plumaghe, plumagie ‘verenbos als hoed- of mutsversiering’ [1516; MNHWS], XII plumagien van rode, witte, blauwe, ende geluwe verwen ‘12 verenbossen van rode, witte, blauwe en gele kleuren’ [1524; iWNT], weelighe pluimaedjen ‘welige verenbossen’ [1617; iWNT]; nnl. een pluimagie van Paradys-vogels [1724; iWNT], overdrachtelijk van diverse pluimage ‘van allerlei soorten’ [1872; iWNT]. Ontleend aan Frans plumage ‘de veren van een vogel’ [1284; TLF], met in het Nederlands aanpassing van de stamklinker aan pluim. Het Franse woord is afgeleid van plume ‘dons’ [ca. 1140; TLF], ontwikkeld uit Latijn plūma, zie hierboven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pluim [veer, toef] {plume, pluyme 1265-1270} middelnederduits plume, oudhoogduits pfluma, oudengels plumfeðer < latijn pluma [veer, dons].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pluim znw. v., mnl. plûme v. ‘veer, dons, slagveer, pluisje, pluim’, evenals os. *plūma (blijkend uit plūmon ‘met veren opvullen’), ohd. pflūma v. ‘dons’ (nhd. flaum m.), oe. plūmfeðer ‘donsveertje’ een woord, dat in de Romeinse tijd ontleend is aan lat. plūma ‘donsveer’ en wel in verband met de uitvoer van ganzeveren naar Rome, waarvan Plinius gewaagt; het behoort dus tot dezelfde leenwoordengroep als kussen en peluw.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pluim znw., mnl. plûme v. “veer, dons, slagpen, pluim, pluisje”. = ohd. pflûma v. “dons” (nhd. flaume v., flaum m.), os. *plûma (blijkens plûmon “met veeren opvullen”), ags. plûm (in plûmfëðer v. “donsveertje”). Vóór de hd. klankverschuiving ontleend uit lat. plûma “dons, pluis, veertje”. Evenzoo is ier. clûm “veeren” blijkens de c een oud leenwoord. Men brengt het feit van die oude ontl. wel in verband met Plinius’ mededeeling, dat in den ouden tijd germ. stammen kudden ganzen aan Rome leverden. Een leenwoord met verwante beteekenis is peluw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pluim v., Mnl. plume, Os. plûma, gelijk Hgd. flaume en Fr. plume, uit Lat. plumam (-a): z. vliegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pluim s.nw.
1. Veer van 'n voël. 2. Veer as versiering. 3. Kwas van 'n stert. 4. (plantkunde) Wollerige saad of blomdeel.
Uit Ndl. pluim (al Mnl. in bet. 1, 1551 in bet. 2, 1778 in bet. 3, 1872 - 1874 in bet. 4).
Ndl. pluim uit Latyn pluma 'dons, veertjie'.
Eng. plume.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pluim (Latijn pluma)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

pluim. In de 17de eeuw komt de bastaardvloek bij gans pluimen voor. Voor een verklaring van de verbastering ga ik uit van de overdrachtelijke betekenis van pluim, t.w. ‘vogel’. Wij zien vaak dat men kan zweren bij alle mogelijke schepselen van God, dus ook bij Gods vogels.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pluim, van ’t Lat. pluma = veer, verwant met ons: vliegen. Afl.: plumage: „Vogels van diverse plumage.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pluim ‘veer, toef’ -> Negerhollands plum, plim, flim ‘veer’; Berbice-Nederlands plim ‘veer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pluim veer, toef 1265-1270 [CG Lut.K] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

839. Haring of kuit van iets willen hebben,

‘dat is, wat of niet, ik zal daar een kans naa waagen: dit is een Vissers spreekwoord, die soo sij geen Haaring kunnen vangen, ten minste eenige geschoote kuit in haar Netten verneemen’ (Winschooten, 76). De uitdr. staat opgeteekend bij Sartorius I, 1, 60: Nu wil ik daer kuyt of haring af hebben; zie ook II, 4, 40; Pers, 666 b: Don Johan van zijne tocht nu kuyt of haringh willende mede draghen; Rusting, 441; 517; Ndl. Wdb. V, 2213; Sewel, 427; Halma, 206: Ik zal 'er haring of kuit van hebben, ik zal 'er eene kans naar waagen; Tuinman I, 240, die haar gelijk stelt met: ‘ergens haar of pluimen van willen hebben’ (zie Ndl. Wdb. V, 1414; Hoeufft, 225). De uitdr. wordt thans gebezigd in den zin van: het zijne er van willen hebben, het rechte of juiste van eene zaak willen hebben; willen weten, waar men zich aan te houden heeft. Vgl. o.a. Menschenw. 227: Main kristus, riep Dirk, nu pas angstig bewust wordend de schade, daa's 'n bakkie, dá' mo'k sien!!.... da' mo'k hoaring of kuit van hebbe; Nkr. IX, 29 Mei p. 2: Zij zeiden: Hier moeten wij van hebben haring of kuit, en ze zonden eenige verspieders uit; Het Volk, 19 Maart 1914, p. 12 k. 2: Terecht hebben enkele liberale bladen de aandacht gevestigd op deze onzekerheid ten aanzien van de houding in de naaste toekomst van de rechtsche partijen te wachten met betrekking tot de tariefkwestie. Zij hebben terecht haring of kuit gevraagd; Prikk. V, 19: Daar moeten we haring of kuit van hebben; Vgl. ook Joos, 60: Hij zal er kuit noch haring van hebben, niets; Onze Volkstaal, II, 88: ik wil der haor of kuit van hebben (V.d. Water, 83); het fri.: ik scil der kút of hearring fen habbe; Harreb. II, 385: hij wil er vleesch of visch van hebben; Campen, 115: ick wilder Ey of Kuyken van hebben. Hier naast in Groot-Nederland, Oct. 1914, bl. 454: Ik mot er hom of kuit van hebben; Het Volk, 15 Febr. 1915, p. 1 k. 1: Hom of kuit! Haring noch kuit aan iemand hebben, niet weten wat men aan iemand heeft, wat men van hem moet denken; vgl. Handelsblad, 15 Juli 1920 (O.) p. 5: Dat zal ook den hoofdcommissaris plezier doen die altijd heeft gezegd, dat hij aan de communisten haring noch kuit had.

1843. Iemand een pluimpje geven,

of iemand een pluim of een veer op den hoed of de muts zetten of steken, d.w.z. iemand prijzen, hem een complimentje maken. De eigenlijke bet. der uitdr. is iemand mooi maken, hem opsieren, als met een pluim op den hoed (vgl. no. 1726; de 17de-eeuwsche uitdr. iemand een leelijken hoed (= krans, kroon) opzetten, hem smaad aandoenOok in het fr. voilà un beau chapeau qu'on lui a mis sur la tête.; bij overdracht: iemand mooi maken in het oog der menschen, hem loven, prijzen. Duidelijk blijkt deze ontwikkeling uit Hooft, Brieven, 140: Ik wil hem altijdts wel verzeekeren, dat hy geenen noodt heeft van vereedelt oft ridder geslaagen, oft opgepotst te worden met pluimaadjen van tijtelen. Zie verder C. Wildsch. V, 46; Van Effen, Spect. VII, 203; Sewel, 643: Zet hem een pluimpje op (vleid hem een beetje), only fawn him a little; in V. Janus III, 37: iemand een pluim op het hoofd zetten; Afrik. iemand 'n pluimpie gee (of steek); Uit één pen, 50: Zonder nou m'n eigen een pluim op de muts te willen zetten; Dievenp. 16: 'n Pluim, die de officier of de president van de rechtbank 'n rechercheur op z'n hoed steekt; Nkr. VII, 6 Dec. p. 2: Hij had ons nooit zoo'n pluim op den hoed gestoken als 't niet was om daarmee de vrijzinnigen te kunnen tergen; Het Volk, 4 Aug. 1914, p. 8 k. 4: Ik vind het niet noodig om mekaar een veer op den hoed te steken; Lvl. 11: De aanzienlijken die 'n pluim in d'r kont krijgen van een of anderen perspoen als ze verrekken. Vgl. voor Zuid-Nederland Waasch Idiot. 527 b: iemand een pluimpken geven, lof toezwaaien; Rutten, 178: dat is een pluim op zijnen hoed; Schuermans, 492 a: een pluimken op zijnen hoed steken, zich om ets roemen of fier zijn (zie ook Joos, 80); er steekt geen pluimken op, het is niet schoon, niet treflijk; Land v. Waas: dat is een pluimken op uwen hoed, eene reden om fier te zijn; daar verdient hij een blommeken veur, daar dient hij om geloofd; iemand een blommeken geven, hem prijzen; dat is een blommeken op uw mouw, dat strekt u tot eer (Waasch Idiot. 126; 290); het eng. a feather in one's cap, een eerbewijs, iets om trotsch te zijn, en het fr. c'est une plume à son chapeau, se dit de quelque chose qui est de distinction ou qui flatte la vanité (Littré, 3, 1172). In het Friesch: immen in fiter of in fear yn 'e broek stekke naast in plomke krije.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut