Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plug - (wig, prop)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plug1* [wig, prop] {plugge, plogge [houten nagel, pin, stop] 1510-1512} middelnederduits pluch, middelhoogduits phloc, zweeds, noors plugg, deens pløg, ook in het kelt. (als leenwoord): iers pluc, gaelisch, welsh ploc; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plug znw. v. ‘stop, pin’, eerst 1511 bekend (amsterd. plugghe) vgl. mnd. plugge m., ne. plug ‘pin, stop’, nnoorw. plugg, nde. pløg, nzw. plugg ‘pin om een gat te stoppen’. — Klaarblijkelijk een oud woord, dat toevallig in het nl. eerst laat overgeleverd is. Daarop wijzen ook de ablauts vormen nnoorw. dial. pligg ‘kleine pin, wig’, nzw. pligg ‘schoenspijker’ en daarom zeker ook verwant met plag, waar verdere verklaring gegeven is. Hetzelfde woord is ook nhd. pflock ‘pin, stift’.

Daar ne. plug eerst sedert 1627 bekend is, kan het aan het nl. ontleend zijn, meent Bense 291.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plug (slop, pin), sedert 1511 (Amsterdam: plugghe “pin”), mnd. plugge m., eng. plug “pin, stop”, noorw. plugg “pin”. Met ablaut misschien noorw. dial. pligg (*pleʒʒu-) “id.”. Kan van de bij ploeg I besproken basis komen. De grondvorm van het ndl. woord is dan idg. *dlogh-jâ- of *dlogh-jon- en de oorspr. bet. “het spitse, puntig-gesnedene”. Laat-mhd. pfloc m. “pin” (ck; ook pflocke m.; nhd. pflock) kan op *dlogh-nó- of *dlogh(o)n- teruggaan, evenzoo mnd. pluk, plok (ck) m. “pin, stop”. Vgl. nog plukken. Ook mogelijk is de afl. van de basis voor “slaan”, waarvan ook plag wordt afgeleid. Zie overigens bij pletten (in fine).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

plug. Eng. plug uit het Ndl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plug 1 v. (stop), Mnl. plugghe + Hgd. pflock, Eng. plug, Zw. en De. plugg + Ier. pluc, Gaël. en We.. ploc: het verband tusschen de Germ. en Kelt. woorden is niet duidelijk.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

plug (Engels plug)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plug ‘wig, prop’ -> Engels plug ‘stop, afsluiter; stekker; (tand)vulling’; Deens plug ‘wig, prop; pruimtabak; soort stopcontact’ (uit Nederlands of Engels); Noors plugg ‘wig, prop’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds plugg ‘wig, prop’ (uit Nederlands of Nederduits); Maltees plagg ‘stekker’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plug* wig, prop 1510-1512 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut