Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plomp - (waterplant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plomp 3 zn. ‘waterlelie’
Mnl. aplompe ‘plomp, waterlelie’ in aplompen, dat siin tremeerbloemen ende staen in watere [1351; MNW], die waterbloeme: ene aplompe [1380-1400; MNW-P]; vnnl. plompe ‘waterplant’ [1554; Dodonaeus].
Wrsch. een samenstelling van mnl. a ‘water’, zie → a en een tweede lid plomp in de betekenis ‘knots, stok’, zelfstandig gebruik van → plomp 1 in de oude betekenis ‘stomp’, vanwege de dikke wortels van de plant; een vergelijkbare ontwikkeling doet zich voor bij Duits Keulwurz, letterlijk ‘knotskruid’. Dialectisch bestaat nog plomp ‘soort stok waarmee in het water wordt geslagen om vissen te verschrikken’. De beginlettergreep a- is later weggevallen. Ook rechtstreekse afleiding van het bn. plomp ‘log’ vanwege de grote bladeren van de plant is mogelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plomp1* [waterplant] {1554} waarschijnlijk van middelnederlands aplompe {1351} met een eerste lid a(a) [water] (vgl. a), ook plompe; mogelijk van dial. plomp [stok waarmee in het water wordt geslagen om vissen in het net te jagen (en dan klanknabootsend van aard)], dus metaforisch gebruikt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plomp 2 znw. v. ‘waterlelieʼ, mnl. plompe, aplompe, mnd. plompe, plumpe (> nhd. plumpe). Indien men vergelijkt dial. plomp ‘soort stok waarmee in het water geslagen wordt om de vissen te verschrikkenʼ, zou men kunnen denken aan een vergelijking van de dikke stengels met een stok (zo WNT). Of is het 'tzelfde woord als plomp 3 en dan wegens de grote bladeren? In mnl. aplompe mag men het 1ste lid wel als het woord a, aa voor ‘waterʼ be­schouwen.

Overgenomen in een gebied ten O. van de Elbe als plumpe, daarheen door nl. kolonisten gebracht, vgl. Teuchert, Sprachreste 209-210 met kaart.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plomp I (waterlelie), sedert Kil. Uit mnl. aplompe v., een onverklaarden vorm.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

plomp I (waterlelie). Wellicht is mnl. aplompe een samenst. met het als appellatief niet voorkomende â, dat bij eiland (slot) besproken is. Vgl. ags. êa-docce v. ‘rumex aquatica’, de. å-kande ‘plomp’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plomp 2 m. (plant), Mnl. aplompe: oorspr. onbek.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

plomp. In een variant op het verwensingsvers stik, verrek, verrot, verteer enz. komt de regel voor doe niet zo lomp, val in de plomp! Het zelfstandig naamwoord plomp betekent letterlijk ‘poel, gracht’. Als men iemand toewenst in de plomp te vallen, moet men wel een onnoemelijke hekel aan hem hebben. → doodvallen.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Núphar | Nuphar lúteüm: Gele plomp
De juiste oorsprong van de geslachtsnaam Nuphar staat nog niet vast en er blijft ons niet anders over dan de meningen en veronderstellingen, die het woord willen verklaren, zonder meer door te geven. Nuphar is waarschijnlijk ontstaan uit Nympháéa. Nymphaea is de wetenschappelijke geslachtsnaam van de Witte waterlelie. Een andere opvatting is dat de naam ontstaan is uit een samentrekking van Nympharion, het verkleinwoord van Nymphae, ons nimf, een watergodin. De bladeren en bloemen zijn ten opzichte van de Witte waterlelie inderdaad kleiner. Anderen beweren dat de naam afgeleid is van het Arabische woord voor deze plant, namelijk Naufar, dat ontstaan is uit Nouphar. Tenslotte nog de volgende uitlegging. In het Middelnederlands heet de plant, evenals de Witte waterlelie, nenuphar en dat zou ontstaan zijn uit nilotpala, de Sanskriet naam voor de blauwe Indische lotus (Nympháea coerúlea). Voorlopig dus puzzels genoeg.
De soortnaam luteüm behoeft geen nadere uitleg, wanneer men weet, dat de plant gele bloemen bezit en luteum de Latijnse naam voor geel is. Vele volksnamen bevatten de toevoeging ‘gele’, zoals Gele Plomp, Gele kannetjes, Gele kikkerbloem, Gele maotblommen (maoten zijn landerijen met veel sloten), in Staphorst, Gele snoekebladen, Gele waterlelie, en Gele waterroos. Giele swanneblom, in Friesland, duidt op de groeiplaats, waar ook genoemde dieren zich ophouden. Gele waterlelie en Gele waterroos wijzen op de waardering die men voor deze plant had. Namen die op de fles- tot buikvormige vrucht betrekking hebben zijn er verscheidene. Het was maar wat men er in zag. We noemen: Gele kannetjes, Gele waterkruik, Boterkarn, Botertonnetjes, Boterstand, in Zuid-Limburg Flesjes, in Friesland Karntjes, Karntonnetjes, Kruiken, Kreukebladen, en in Groningen Koffiekannen. De namen verbonden met karn zijn hoogstwaarschijnlijk uit de kindermond ontsproten, want kinderen gebruikten de buikvormige vrucht bij hun spelletjes; zij staken er een stokje in en dit geheel was dan voor hen een karntonnetje. (Zie ook onder Nympháea.)
In het Zuidhollandse zag men in de vorm van de vrucht een gelijkenis met zeer jonge biggen en zo kreeg de Gele plomp namen als Keujen en Keutjes bloem, want jonge varkentjes noemde men keujen. In hetzelfde gebied komen de namen Varkens en Varkenssnoetjes voor; wanneer men de vruchten even aandachtig bekijkt, niet onaardig gekozen. Algemeen bekend is de naam plomp, met de nodige varianten zoals Gele pompelbloem, Pompelbladen, Pomper en Pomperwortel, om er slechts enkele te noemen. Eveneens goed bekend is de Friese naam Pompeblêden. Men neemt aan dat plomp ontstaan is uit haar vroegmiddeleeuwse benaming Aplompe. Zo schrijft Jan Yperman (dertiende / veertiende eeuw): ‘Nenufor Calimbloem of Aplompen, dat sijn tremeer bloemen ende staen in watere.’ Dit zou een Germaanse samenstelling kunnen zijn van plomp en a, want a is het oude woord voor water. Dus een waterplant? De afkomst van de naam plomp is nog niet duidelijk; men beweert dat deze van Romaanse oorsprong zou zijn. Of moeten we het zoeken in ‘in het water vallen’: plompen? Hier dus plomp te verstaan als het geluid dat ontstaat wanneer men in het water valt. Dus een klanknabootsende naam: ‘Plomp, deer fiel in de sloot,’ zegt men op Texel. Het Nieuw Gronings Woordenboek geeft voor Plomp: plas, moeras en put. Zie voor dit in het water vallen, veroorzaakt door watergeesten, nader bij de Nympháea alba, die in het Duits Nixblumen: watergeestbloemen genoemd wordt.
In Silezië spreekt men eveneens van Plompen en Plumpen, dit in navolging van de Nederlandse benaming. Voor Voorne en Beierland staan opgegeven Grote dompel, Dompelbladen en Dompels; het is mogelijk dat deze namen iets te maken hebben met dompelen, het onder doen gaan in het water. Evenals bij de Witte waterlelie werden de wortelstokken vanwege het hoge looistofgehalte, gebruikt bij het leerlooien. De Gele plomp mocht men niet in huis hebben, want, maakte men elkaar wijs, dan zou het vee sterven. Waarop men dit baseerde is ons nog niet duidelijk geworden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plomp ‘waterplant’ -> Duits dialect Plumpe, Seeplompe ‘waterlelie’; Frans dialect aplomple, appolompe, applombe ‘waterlelie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plomp* waterplant 1554 [Dod.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut