Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ploffen - (met een dof geluid neervallen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ploffen ww. ‘met een dof geluid neervallen’
Vnnl. ploffen ‘met een dof geluid neervallen’ [1610-20; iWNT].
Klanknabootsend werkwoord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ploffen ww., nog niet bij Kil. Klanknabootsend. Dgl. vormen ook in andere talen. Vgl. bof.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ploffen ono.w., denomin. van het tuss. plof: onomat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

parlakken, ww.: sleepvoeten. Var. van parloffen door associatie met parlak ‘wijde schoen’, met onduidelijke etymologie.

parloffen, ww.: lomp lopen, sleepvoetend lopen. Met epenthetische r uit ploffen ‘plompen, met doffe slag neervallen, met een bons stoten’ (WNT).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

paloffen (G), ww.: ploffen. 1566 lach ooc int water en palofte ende leet daer zulcke vreese, Gent (LC). Met svarabhaktische klinker (a) uit ploffen < plof, een klanknabootsend woord.

paluffen (E, W), ww.: kleinzerig klagen om kleine ongemakken. Wsch. afgeleide bet. van Wvl. paluffen 'vertroetelen, knuffelen, verwennen'. De betekenisevolutie is wellicht analoog met die van paloeteren < ploeteren 'geluid maken'. Dan is paluffen misschien met svarabhaktische (parasitaire) klinker a < ploffen 'een plof maken, een doffe klank veroorzaken'.

perloefen (R), ww.: met kracht werpen (knikker, bal). Klankexpressief, wellicht met r-epenthesis < ploffen. Vgl. ook parlafe.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

paluffen (DB, B, M, O, P, R), ww.: vertroetelen, liefkozen, strelen, knuffelen. Bij De Bo ook: vleien, foppen, bedriegen (vgl. palullen). Ovl. ook ‘klagen’ (Waasland), ‘krasselen, sukkelen’ (DB). De betekenisevolutie kan analoog zijn met die van palodderen < ploeteren ‘geluid maken’. Dan is paluffen misschien met svarabhaktische (parasitaire) klinker a < ploffen ‘een plof maken, een doffe klank veroorzaken’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut