Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ploert - (ongemanierde kerel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ploert zn. (NN) ‘ongemanierde kerel’
Nnl. ploert ‘losbol, ongemanierde kerel’ in een goddeloos huis, daar zy ... als een openbare Ligtekooi met allerlei Ploerten en Komedianten zich ophoudt [1782; iWNT], Ik wil dezen ploert den hals breken! [1853; iWNT], in 19e-eeuwse studententaal ook ‘niet-student’ in Alleen studenten, voor zoo ver ik weet, noemen spottenderwijze een burger een ploert [1853; iWNT], om de zon aan te duiden, met het epitheet van “koperen ploert” (in Nederlands-Indië) [1916; Groene Amsterdammer].
Herkomst onduidelijk. Samenhang met gewestelijk (Noord-Holland, Friesland, Noord-Duitsland) pluren ‘turen, loenzen, met half dichtgeknepen ogen kijken’ (WNT) is onwaarschijnlijk. Ontlening aan Frans pleutre (bn. en zn.) ‘lafhartig, laaghartig persoon’ [1750; TLF], gewestelijk ook ‘lompe kerel’, is evenmin wrsch.: dat woord wordt teruggevoerd op een Vlaams woord pleute, plote ‘schelm’ en bovendien blijft de -oe- in ploert dan onverklaard. Cowan (1986) overweegt ontlening aan Frans balourd (bn. en zn.) ‘lomp; lomperik’, vroegst geattesteerd als balourt [1482; TLF], dat semantisch zeer goed past, maar dat niet tot Nederlands p- kan leiden en bovendien niet strookt met de relatieve onbekendheid van het woord in het BN. Spaans palurdo ‘lomperik’ heeft wel een p- en is wrsch. aan het Frans ontleend. Cowan (1986) schrijft het klankverschil p/b, in combinatie met de duistere etymologie van het Franse woord, toe aan gemeenschappelijke herkomst uit een voor-Indo-Europese taal waarin geen onderscheid bestond tussen p en b. De relatief jonge leeftijd van deze woorden maakt ook deze etymologie zeer onzeker.
De vaste verbinding koperen ploert betekent ‘zon’ en is ook in het BN bekend. Deze is ontstaan in het Nederlands op Nederlands-Indië, met verwijzing naar de in veler ogen genadeloze hitte die zij daar verspreidde.
Lit.: H.K.J. Cowan (1986), ‘Pre-Indo-Europese Substraat-Varia’, in: LB 75, 155-183, hier 170-172

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ploert* [patser, gemene kerel] {1785 in de betekenis ‘losbol’; de huidige betekenis 1896} vermoedelijk verwant met hollands dial. pluren, pluurten [met half dichtgeknepen ogen kijken] of frans pleutre [laffe, domme kerel] (1750), dat stamt van vlaams pleute [lap, vod], vgl. pluren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ploert znw. m., komt eerst op in de 18de eeuw. Men heeft gedacht aan een ontlening < fra. pleutre, dat ook eerst in de 18de eeuw optreedt, maar daar dit uit het pikardische schijnt te stammen, vermoedt men daarvoor ontlening uit een vlaams pleute ‘lap, vodʼ (Gamillscheg 702). Gaat men op deze gedachte verder, dan kan men vermoeden, dat er bijvormen als ploer en ploert bestaan hebben, vgl. ook pluur ‘pluisʼ (J. H. van Lessen Ts 61, 1942, 213-228). Anderzijds legt WNT 12, 2, 2713 verband met een dial. holl. pluren, pluurten ‘met half dichtgeknepen ogen kijkenʼ. Dan is te wijzen op de geheel overeenkomstige woordgroep van loer ‘botterikʼ > ‘lap, vodʼ naast loeren ‘met half gesloten ogen kijkenʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ploert znw., nog niet bij Kil. Oorsprong onbekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ploert m., vergel. Fr. pleutre, welks oorspr. echter onbek. is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ploert: gemene vent, skurk; Ndl. ploert (18e eeu), daar is gedink aan verb. m. Fr. pleutre, “lammeling, mispunt”, en ook aan Vl. pleute, “lap, vod”, maar albei lewer besware op, asook Holl. pluren/pluurten, “met half toegeknypte oë loer” – herk. onseker.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

ploert: gemene vent. Aan de KMA te Breda begin twintigste eeuw ook de benaming voor een adjudant-onderofficier. Onder studenten werd met ploert een niet-student of burger aangeduid. Vandaar samenstellingen zoals huisploert, sigarenploert, wijnploert enz. Het woord is opgekomen in de achttiende eeuw. Wolff en Deken gebruikten het in de betekenis van ‘lichtmis, guit’. Pas in de negentiende eeuw kreeg ploert de betekenis ‘schoft’ mee. Sommigen verklaren het uit Frans pleutre; anderen zien verwantschap met Hollands dialect pluren, pluurten: met halfdichtgeknepen ogen kijken. Uitsluitsel over de term bestaat voorlopig niet. Met ploertendom bedoelde men destijds allen die niet-student zijn.

Naauwelijks stond Flanor voor het stadhuis, of Gustaaf en een Kaapenaar stonden tevens op de Breestraat, op de hielen gevolgd door eene bende Leidsch gepeupel en eenige bezeten ploerten. (Johannes Kneppelhout, Studenten-typen, 1839-1841)
De vlegel! De ploert! Ik! Ik moet maar alles slikken. Mij zegt maar iedereen alles! (Louis Couperus, De boeken der kleine zielen, 1901-1903)
‘Wat ’n ploerten!’ riep Eddy – wit van woede – uit. (J.B. Schuil, De A.F.C.-ers, 1915)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ploert* patser, gemene kerel 1896 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut