Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ploeg - (groep mensen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ploeg 2 zn. ‘groep mensen’
Mnl. ploech ‘bepaalde hoeveelheid’ in torf copen by helen plogen ‘turf kopen in hele hopen’ [1436; MNW]; vnnl. ploeg ‘dagtaak, dagelijks werk’ in Dat is mijn ploeg, oneigendlijk, dat is mijn beroep, daar ik mijn kost meede moet winnen [1681; WNT]; nnl. ‘groep personen die voor een bepaald doel bijeen is’ in onder wat ploeg ... zy behooren ‘bij welke groep zij behoren’ [1751; WNT].
Mogelijk een ablautend zn. bij het werkwoord → plegen. Het kan ook oorspronkelijk hetzelfde woord zijn geweest als → ploeg 1, waarbij men moet denken aan een ‘groep mensen die samen aan het ploegen zijn’.
Nnd. plog ‘afdeling, troep’; nfri. ploech ‘ploeg werklui, groep’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ploeg2* [groep mensen] {ploech, plouch [bij elkaar behorend gezelschap, hoop (van zaken)] 1436} is waarschijnlijk hetzelfde woord als ploeg1. Ook is overwogen dat ‘ploeg’ zou zijn afgeleid van plegen, dat middelnl. betekende ‘de verantwoordelijkheid voor iets op zich nemen, bedienen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ploeg 2 znw. v. ‘afdeling werklui enz.ʼ, sedert de 16de eeuw (maar reeds 1436 gron. voor ‘hoop turvenʼ), nnd. plōg ‘afdeling, troepʼ, fri. ploech ‘ploeg werklui, bij elkaar behorend spanʼ zal wel op te vatten zijn als een verbaalnomen bij plegen.

Daarop wijst ook de bet. ‘dagtaak, gewoonte; bedrijf, kostwinningʼ, waarvoor evenmin een afgeleide bet. van ploeg 1 aannemelijk is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ploeg II (afdeeling werklui, examinandi e.dgl.), sedert de 16. eeuw; gron. 1436 = “hoop (turven)”. = ndd. plôg “afdeeling, troep”, fri. ploech “ploeg werklui, bij elkaar hoorend span”. Wsch. = ploeg I, oorspr. = “menschen of dieren die bij één ploeg hooren”, ofschoon de oudste plaatsen daar niet op wijzen. Anders eventueel met de oorspr. bet. “afgescheiden, van anderen gescheiden troep” van dezelfde basis voor “snijden, splijten”, waarvan ploeg I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ploeg 2 v. (afdeeling), hetz. als ploeg 1 = 1. een ploeg lands (z. juk), zekere landmaat (in sommige dial. en in ʼt Slav.), 2. het aantal voor een ploeg lands vereischte werklieden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3ploeg s.nw. (verouderd)
Werkspan.
Uit Ndl. ploeg (al Mnl.).
Oor die etimologie van Ndl. ploeg bestaan onsekerheid. Hou miskien verband met ploeg (sien 1ploeg) in die sin van 'mense en diere wat by 'n ploeg hoort', of met 'n s.nw. wat van plegen (sien pleeg) afgelei is, met die bet. 'dagtaak, gewoonte, bedryf'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ploeg II: groep/span arbeiders; Ndl. ploeg (sedert 16e eeu in dié bet.), verb. m. ploeg I onwsk., hoewel byg. daaraan nie uitgesluit nie, eerder verb. m. pleeg (q.v.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ploeg ‘groep mensen’ -> Duits dialect Plôg, Ploog, Pflug ‘groep werknemers van minimaal negen personen’; Indonesisch plug /pluh/ ‘groep werkvolk die een bepaald gedeelte van de werkdag aan het werk is’; Madoerees bluk ‘ploeg van werkvolk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ploeg* groep mensen 1436 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut