Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ploeg - (landbouwwerktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ploeg 1 zn. ‘landbouwgereedschap’
Mnl. plug ‘ploeg’ [1240; Bern.], ploech ‘id.’ in twe ossen die in .i. ploech te samene trecken ‘twee ossen die samen een ploeg voorttrekken’ [1287; VMNW].
Os. plōg (mnd. plōch); ohd. pfluog (nhd. Pflug); ofri. plōch (nfri. ploech); on. plógr (nzw. plog); alle ‘ploeg’; oe. plōh ‘stuk land’ dat met ploeg kon worden bewerkt; ne. plough ‘ploeg’ < on. plógr); < pgm. *plōga- ‘ploeg’. Hierbij behoort wrsch. ook Langobardisch plovum ‘ploeg’.
Het gaat om een nieuw type ploeg, wrsch. de sinds de ijzertijd opgekomen ploeg met een ijzeren ploegschaar. Een oudere aanduiding voor een ouder type ploeg was os. erida, on. arðr ‘ploeg’ (nzw. årder), dat met Latijn aratrum en Grieks árotron ‘ploeg’ verwant is en waarbij ook het sterke werkwoord got. arjan ‘ploegen’ behoort. Men heeft wel gedacht aan verwantschap met plaumoratum, een aanduiding voor een soort ploeg met twee wielen in Raetisch Gallië bij Plinius, dat dan zou teruggaan op een pgm. *plogwmoraþa-, wat zou passen bij pgm. *plogwa-. De verdere etymologie van dit woord is onduidelijk. Vermoedelijk gaat het om een woord uit een niet-Indo-Europese taal.
Lit.: J. Trier (1945), ‘Pflug’, in: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 67, 110-150; R. Schmidt-Wiegand (1981), ‘Wörter und Sachen. Zur Bedeutung einer Methode für die Frühmittelalterforschung. Der Pflug und seine Bezeichnungen’, in: Wörter und Sachen im Lichte der Bezeichnungsforschung, Berlin, 1-41; H. Beck (1980), ‘Zur Terminologie von Pflug und Pflügen - vornehmlich in den nordischen und kontinentalen germanischen Sprachen’, in: H. Beck e.a. (red.), Untersuchungen zur eisenzeitlichen und frühmittelalterlichen Flur in Mitteleuropa und ihre Nutzung, Göttingen, II, 82-98

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ploeg1* [landbouwwerktuig] {ploech, plouch 1201-1250} middelnederduits plōch, oudhoogduits pfluog, oudfries plōg [ploeg], oudengels plōg [een ploeg lands], oudnoors plógr [ploeg], een voor-germ. woord uit een taal in de Alpen of uit het kelt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ploeg 3 znw. v. ‘vore, groeveʼ eerst na Kiliaen is afgeleid van het ww. ploegen, dat zelf weer afl. is van ploeg 1.

ploeg 1 znw. m. ‘landbouwgereedschapʼ, mnl. ploech, plouch v. m., mnd. plōg, plūg v. m., ohd. pfluog (nhd. pflug) m., ofri. plōg m., on. plōgr ‘ploegʼ, en oe. plôh ‘stuk landʼ (maar eig. ‘ploegʼ evenals ne. plough).

Het woord is een benaming voor een verbeterde vorm van de ploeg, die de Germanen overigens van oudsher kenden; misschien duidt het woord de sedert de ijzertijd opgekomen ploeg met een ijzeren ploegschaar aan. Oude benamingen zijn got. hōha, dat blijkens oi. śākhā ‘takʼ een zeer primitieve vorm aanduidt; een kromgebogen stok, die de grond ingedreven werd. Verder os. erida, on. arðr, die samenhangen met lat. aratrum, gr. árotron. — Men heeft het woord ploeg in verband gebracht met het door Plinius Nat. Hist. 18, 172 vermelde woord uit Raetia Galliae voor de radploeg plaumorati, dat men heeft willen terugvoeren op een germ. *plōgmoraþaz = ‘ploegʼ + ‘radʼ (Meringer IF 17, 1904, 109 vlgg.), zodat men komt tot een germ. woord *plōgwaz, dat te vergelijken is met langob. plōvum. — Daartegen wendt zich echter J. Trier PBB 67, 1944, 131-6, die er van uitgaat, dat het woord een verbeterde vorm van de radploeg aanduidt, die waarschijnlijk in het gebied ten Westen van de Elbe zou zijn uitgevonden. Reeds Stender-Petersen Lehnwortk. 1927, 412 had verband met het ww. plegen gelegd (zijn hypothese van een gotische ontlening uit het keltisch is reeds wegens de aanvangsklank p onaannemelijk) en daarop gaat Trier verder. Hij aanvaardt dan ook de oude verbinding met de groep van telg, waarvoor zie: plegen, zodat het woord dan oorspr. ook de kromme tak van een primitief gereedschap kon hebben aangeduid. Het bezwaar hiertegen is dan evenwel, dat de naam voor dit primitieve gereedschap nog steeds gebruikt zou zijn, ook toen er reeds een verbeterd type van radploeg gekomen was.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ploeg I (voorwerp), mnl. ploech, plouch (gh) v. m. = ohd. pfluog (nhd. pflug) m., mnd. plôg, plûg v. m., ofri. plôg m. “ploeg”, ags. plôh “een stuk land” (oorspr. = “ploeg” evenals nog eng. plough), on. plôgr m. “ploeg”. Dit woord, germ. *plôʒa- (-ʒu-) duidde een meer geperfectionneerden ploeg aan dan on. arðr m. (zie aard I). Andere germ. woorden voor “ploeg” zijn: got. hoha m. (: ier. cecht “ploeg”, lit. szakà, oi. çā́khâ-, arm. tʿsax “tak”) en ags. sulh v. (: lat. sulcus “vore”; zie bij zwelgen). Uit het Germ. slav. (o.a. russ.) plugŭ, lit. pliúgas “ploeg”. Men heeft wel gemeend, dat ook de Germanen hun *plôʒa- van een ander volk ontleend hebben. Er is bij die hypothese echter geen goed etymon te vinden. Plaumorati, dat Plinius als rhaetisch-gall. naam voor den ploeg met raden (volgens zijn meedeeling kort geleden door rhaetische Galliërs uitgevonden) opgeeft en waarvoor men wel plôum Raeti leest, is dat niet: een ospr. gall. woord met p- is niet aannemelijk. Langob.-lat. plôvum “ploeg” (nog lombardisch piò enz.) is niet van ploeg te scheiden, ofschoon de onderlinge vormbetrekkingen niet klaar zijn (germ. *plôʒwa- > *plôwa- naast *plôʒa-, -u-?). Alb. pľuar “ploegschaar” leidt men wel uit het Germ. af. Als wij germ. oorsprong aannemen, kunnen wij germ. pl- uit idg. dl- verklaren en ier. dlongid “hij splijt” (ook gr. glṓkhes “stekels aan de aren”, glōkhís “punt, spits”??) combineeren. Zie verder telg en plug, plukken. De combinatie van ploeg met plegen, die voor dit ww. een grondbet. “akkeren” veronderstelt, houdt niet voldoende rekening met de werkelijke bett. er van. Zie nog plag en pletten.

ploeg III (vore, groeve), nog niet bij Kil. Van ploegen (zie bij ploeg I), opgevat als “voren snijden”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ploeg I (voorwerp). Gewoonlijk wordt hiervan niet gescheiden een gelijkluidend mnl. ohd. mnd. ofri. on. woord, dat ‘bedrijf, kostwinning’ e.d. betekent. Sommigen zien hierin echter een ander woord, dat dan — met meer waarschijnlijkheid dan ploeg I — bij plegen wordt gebracht; hiermee zou dan ploeg II (afdeling, groep) identisch zijn (‘werk, bedrijf > ‘samenwerking, gemeenschap’). Misschien is echter de bet. ‘bedrijf, kostwinning’ niet anders dan een oude overdracht van ploeg I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ploeg 1 m. (werktuig), Mnl. ploech + Ohd. pfluog (Mhd. pfluoc, Nhd. pflug), Ags. plóh (Eng. plough), Ofri. plóg, On. plógr (Zw. plog, De. plov): van onbek., misschien Kelt. oorspr.; reeds Plinius zegt ons dat men hem in Rhetië plōum noemt. Ging over in ʼt Sl.: Osl., Ru. , plugŭ, Lit. pliugas.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1ploeg s.nw.
Landbouwerktuig waarmee grond omgewerk word.
Uit Ndl. ploeg (al Mnl.).
D. Pflug, Eng. plough, Sweeds plog.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

ploeg I: as s.nw., mv. ploeë; as ww. ook wv. ploe(ë); Ndl. ploeg (s.nw.) en ploegen (ww.); Ndl. s.nw. ploeg (Mnl. ploech), Hd. pflug, Eng. plough (vroeër en in Am.-Eng. nog plow), ’n Germ. wd. wat in Ll. as plo(v)um verskyn; as ww. Mnl. ploegen, Hd. pflügen, verb. binne en buite Germ. onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ploeg ‘landbouwwerktuig’ -> Frans dialect plohî ‘lompe vent of vrouw’; Litouws plūgas ‘landbouwwerktuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments plug, plu (ouder: ploeg) ‘landbouwwerktuig’; Sranantongo prugu, plugu ‘landbouwwerktuig’; Surinaams-Javaans plug ‘landbouwwerktuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ploeg* landbouwwerktuig 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut