Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plicht - (verantwoordelijkheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plicht zn. ‘verantwoordelijkheid’
Mnl. plicht ‘verantwoordelijkheid’ in Mans kint ochte vrouwen kint, dat in here plecht es ‘een kind van man of vrouw, dat onder hun verantwoordelijkheid valt’ [1275-76; VMNW].
Ohd. pfliht ‘zorg, verantwoordelijkheid’; oe. pliht ‘gevaar, risico’; < pgm. *plih-ti-, afleiding van de wortel van oorspronkelijk sterke werkwoord → plegen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plicht* [verantwoordelijkheid] {plecht [verantwoordelijkheid, zorg voor, verplichte dienst, schuld, gewoonte] 1265-1270, plicht 1400} middelnederduits plicht, oudhoogduits phliht (hoogduits Pflicht), oudengels pliht; van middelnederlands plien, plegen [borg stellen voor, zorgen voor, in praktijk brengen, gewoon zijn] (vgl. plegen).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

plicht

Het woord plicht is afgeleid van de stam van een werkwoord dat in het Middelnederlands voorkwam in twee vormen: plien en plegen. Men gaat er van uit dat de oudste betekenis van plicht is geweest: de instemming die betuigd werd met een rechterlijke uitspraak, een vonnis. Daaruit kwam voort de betekenis: verantwoordelijkheid, eerst voor zo’n vonnis, later in het algemeen. Dan wordt plicht: de verhouding van een meerdere tegenover een mindere, de voogdij en tenslotte: de gebondenheid, datgene wat van iemand wordt geëist door een gezag boven hem, of dat nu een persoon is of de moraal (zedelijke plicht) of zijn geweten. Moeder Stastok maakte plichtmatig hieltjes in de kousen van Pieter.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plicht znw. m. v., mnl. plicht, plecht v. ‘risico, verplichting, verbintenis, plicht, gemeenschap, zorg, bescherming, macht, schuld, zonde, toedoen, ellende, gebruikelijke vormenʼ, mnd. plicht v. ‘verplichting, plicht, gemeenschap, dienst, belasting, loonʼ, ohd. pfliht ‘cura, mandatumʼ, ofri. plicht v. ‘risico, verantwoordelijkheidʼ, oe. pliht v. m. ‘gevaar, risicoʼ (ne. plight). — Afl. met suffix -ti van plegen. — Zie ook: plechtig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plicht znw., mnl. plicht, plecht (plichte) v. “risico, verplichting, verbintenis, plicht, gemeenschap, zorg, bescherming, macht, verplichte dienst, schuld, zonde, toedoen, ellende, gebruikelijke vormen”. Bij de laatste bet. of bij de bet. “dienst, ambt” (Kil. pleghte, plege, plicht “munus, officium”) sluit zich nnl. plechtig aan; Kil., mnl. plechtich, plichtich = “tot iets verplicht, schuldig”. Deze afleiding is ook mhd., mnd., ofri. Plicht = ohd. pfliht v. “cura, mandatum” (nhd. pflicht), mnd. plicht v. “verplichting, plicht, gemeenschap, dienst, belasting, loon”, ofri. plicht v. “risico, verantwoordelijkheid”, ags. pliht v. m. “gevaar, risico” (eng. plight). Verbaalnomen bij plegen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plicht m., Mnl. id. en plecht = verplichting, plicht, zorg, gebruikelijke vormen + Ohd. pfliht (Mhd. id., Nhd. pflicht), Ags. pliht (Eng. plight): staat tot plien (z. plegen) als zicht tot zien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pliech (zn.) plicht; Vreugmiddelnederlands plicht <1265-1270>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

plig s.nw.
Verpligting wat van iemand deur enige hoër gesag of sy gewete geëis word.
Uit Ndl. plicht (al Mnl.).
D. Pflicht, Eng. plight.
Vgl. pleeg, plegtig.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

plecht gewoonte, gebruik (Drente). = plicht (afl. bij plegen ‘gewoon zijn’).
Hadderingh/Veenstra 216.

plich lichamelijk lijden, pijn (Enschede). = nl. plicht. Betekenisontwikkeling: ‘verplichting’ › ‘schuld’ › ‘straf’ › ‘pijn’.
Bezoen 1938, 55.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

plig: wat iemand behoort te doen; Ndl. plicht (Mnl. plicht/plecht, “beskerming; risiko; skuld; toedoen”), Eng. plight, “gevaar; risiko; toestand”, hou verb. m. pleeg (q.v.), v. ook plegtig.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Plechtig, van plicht en dit van plegen = doen, gewoonlijk doen. Plicht is dus: wat men altijd doen moet; en plechtig ziet oorspr. op de ceremoniën, die bij een of andere feestelijkheid, enz. volgens gewoonte verricht worden; vandaar kreeg plechtig ook bet. van: deftig, ernstig. – De bet. van plicht, n.l. wat men altijd moet doen, gaf aanleiding tot de bet.: verschuldigd zijn, bijv.: medeplichtig; wij zijn u veel verplicht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plicht ‘verantwoordelijkheid’ -> Deens pligt ‘verantwoordelijkheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors plikt ‘verantwoordelijkheid’; Zweeds plikt ‘verantwoordelijkheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands plicht ‘verantwoordelijkheid’; Papiaments † ple ‘verplichte werkdag’; Sranantongo prekti, plekti ‘verantwoordelijkheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plicht* verantwoordelijkheid 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal