Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plevier - (steltloper uit de familie der Charadriidae)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plevier zn. ‘steltloper uit de familie der Charadriidae
Mnl. pluvier ‘plevier’ in erande van pluuieren ‘een soort plevieren’ [1287; VMNW], als toenaam van arnulphus pluuier [1272-91; VMNW]; vnnl. plevier in wilde Gansen, wilde Voghelen, Kievitten, Plevieren [1524; iWNT].
Ontleend aan Oudfrans plouvier ‘plevier’ [ca. 1150; TLF] (Nieuwfrans pluvier [1505; TLF] o.i.v. het Latijn), ontwikkeld uit vulgair Latijn *pluviarius, letterlijk ‘regenvogel’, afgeleid met het achtervoegsel -arius, zie → -aar, van Latijn pluvia ‘regen’, een afleiding van ‘regenen’, verwant met → vloeien. Het Middelnederlands heeft van begin af aan al de vorm plu-, wrsch. onder invloed van het Latijn. Daarnaast kwam de vorm mnl. plovier voor onder invloed van de Noord-Franse dialecten zoals in Engels plover, dat eveneens op het Noord-Frans teruggaat. De eindklemtoon in dit woord veroorzaakt een verzwakte uitspraak van de klinker in de eerste lettergreep, wat leidde tot de nevenspelling plevier. De spelling pluvier is sinds 2005 (WL) niet meer officieel.
De verklaring van de naam regenvogel is twijfelachtig. Mogelijk is de melancholieke roep van de vogels tijdens de najaarstrek, de regentijd dus, geassocieerd met regen.
Lit.: Eigenhuis 2004

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pluvier, plevier [vogel] {pluvier, plovier in de persoonsnaam Arnulphus Pluuier 1272} < frans pluvier [idem], oudfrans plovier < laat-latijn ∗plovarius, van latijn pluvia [regen] (vgl. pluviale), dus ‘regenvogel’; de komst van de pluvieren kondigde een periode met regen aan, meende men. Vgl. regenfluiter.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pluvier znw. m., mnl. pluvier, plovier ‘regenvogel’, evenals ouder-nhd. pluvier, pulvier, pulurer, puluer < fra. pluvier < vulg. lat. *ploviārius, afgeleid van lat. pluvia ‘regen’. Vgl. de nhd. naam regenpfeifer.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pluvier znw., mnl. pluvier (plovier). Evenals oudnhd. pluvier, pulvier, pulurer, pulu(i)er uit fr. pluvier (van lat. pluvia “regen”); vgl. den hd. naam regenpfeifer m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pluvier v., Mnl. plovier, gelijk Eng. plover, uit Fr. pluvier, van Mlat. pluviarium (-ius), een afleid. van Lat. pluvia = regen (z. vlieten); vergel. Hgd. regenpfeifer.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Graauwe Plevier Oude N naam voor de Zilverplevier ↑ bij Houttuyn 1763 en B&O 1822. In NV 1829 werd de, ook in zijn bestanddelen, synonieme naam Grijze Kievit ↑ gebruikt. Houttuyn 1763 (p.252) en Linnaeus 1758 hadden de soort in het winterkleed of in het juveniele kleed op het oog. Houttuyn verwijst naar de toenmalige (en ook huidige) E naam: Grey Plover.

Kleine Plevier Charadrius dubius Scopoli 1786. Verspreid door geheel Europa, ook in de Lage Landen, broedende kleine soort van Plevier ↑. Jonston 1660 gaf er een afbeelding van (Tab.53) met de naam “Charadrios” erbij, overgenomen van Gesner 1555. Nieuwgrieks Χαραδριός ο μικρòς bevat dezelfde naam als die door Aristoteles wordt genoemd voor “een grauwachtige (‘geelachtige’ volgens Jobling 1991), in aardkloven (Gr χαράδρα ‘scheur; aardkloof; bedding van een bergstroom’) en bij rivieren wonende vogel die alleen ’s nachts te voorschijn komt” [Coomans de Ruiter et al. 1947]. Mogelijk is deze vogel de Griel geweest (welke meer een nachtelijke levenswijze heeft dan de Kleine Plevier; deze laatste voert echter ook in de schemering zangvluchten uit! [HVM 1975 p.183]), maar het voorkomen in (droge) rivierbeddingen is een sterke aanwijzing voor Kleine Plevier. De zeevogel Χαραδριός die Aristoteles noemt, kan dan de sterk op de Kleine Plevier gelijkende Bontbekplevier ↑ geweest zijn, die in Griekenland doortrekker is [Ferguson-Lees et al. 1972; Alden & Gooders 1981, sub Istanbul] en dan op zeestranden voorkomt. De vogels aanblik heette geelzucht te genezen, maar dit gegeven laat moeilijk toe te differentiëren tussen Griel (heeft een gele iris) en Kleine Plevier (heeft een gele oogrand), eventueel Bontbekplevier (heeft een gele snavel).
BENOEMINGSGESCHIEDENIS B&O 1822 gebruiken de naam Koerlandsche Plevier, een vertaling van de toenmalige wetenschappelijke naam Charadrius curonicus, Besecke. Schlegel 1828 heeft het over Charadrius minor, MEYER en WOLF, als hij schrijft: “... en de kleine plevier schijnt bij uitzondering op de zandbanken der rivieren te wonen.” [“kleine” had hier cursief gedrukt moeten zijn]. Schlegel 1852 dan geeft “De kleine plevier”, (cursief = naam nog provisorisch). Bij latere auteurs is het Kleine Pluvier (Snouckaert 1908; Thijsse 1944).

Plevier Algemene naam voor een aantal soorten Steltlopers met een korte snavel, waarvan de meest voorkomende (h.t.l.) zijn: de Goud- en Zilverplevier, de Kleine, de Bontbek- en de Strandplevier, en ook de Kieviet. Verder zijn er nog de in de Lage landen zeldzamere Morinelplevier en de zeer zeldzame Woestijnplevier. De naam komt uit het F (Lat?), en zou te maken hebben met feit dat de Plevieren (Regenfluiter.
Plevier en Pluvier zijn in het verleden (zonder nadere aanduiding) ook namen voor soorten geweest. Houttuyn 1763 bijv. gaf Plevier op als N naam voor Linnaeus’ Tringa ochropus, waarmee Linnaeus ws. het Witgatje bedoelde. Het Witgatje wordt nu tot de Ruiters (Tringa) gerekend, niet tot de Plevieren. Van Cuyck 1789 bedoelde met Plevier (ws.) de Goudplevier.
ETYMOLOGIE N Plevier plovier (1165) (>F Pluvier); E Plover (vroeg in de 14e eeuw) <(via de Normandiërs) oudf plovier *ploviarius, *pluvarius pluvia ‘regen’ >It Piovanello ‘(Krombek)strandloper (let op de mogelijk andere etymologie van It Pivière ‘Plevier’ ?piva ‘schalmei, herdersfluit’). Van Maerlant c.1266 gaf al de naam Lat Pluviales, welke ook door Thomas van Cantimpré (1233-1248) en Albertus Magnus gebruikt werd (door Plinius ws. niet). De gedachte van Lockwood 1993 (sub Plover) dat aan het woord primair een zuivere onomatopee ten grondslag ligt, wordt door Wilms [in litt. 010316] aannemelijker gemaakt doordat deze uitgaat van een roep die klonk als oudf pluie (= regen); dit woord zal in 1080 ws. net zo geklonken hebben als heden. Lockwoods idee (*plō als zuivere onomatopee, vervolgens volksetymologisch tot *plovarius vervormd) ligt minder voor de hand. Oudnoords (waarvoor zie sub Lieuw) is hier ws. ten onrechte bijgehaald, want het rijmt niet met *plo. Argument van Austin 1983 en Moss 1995, dat verbanden tussen het weer en daarop gebaseerde vogelnamen achteraf vaak niet blijken te kloppen, verandert niets aan het vaststaand feit dat zulke namen nu eenmaal tóch gegeven werden! Maar in het geval van de ‘Plevier’ zal het geluid (dat bijna steeds een hoofdrol speelt bij soorten die (zogenaamd) regen aankondigen), dat vrij gemakkelijk weergegeven kan worden met F “pluie”, zeker geholpen kunnen hebben bij het motiveren van een naam die een verband met regen aangeeft.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

PLEVIERENCharadriidae
Betekenis wetenschappelijke naam: in kloven en bij de bedding van bergstromen of rivieren levende vogels. Plevier is afkomstig van het Franse pluvier en dit van het Latijnse pluvialis = bij regen behorend. Van deze vogels werd gezegd dat ze beginnen te fluiten tegen de tijd dat het gaat regenen. Maar het is best mogelijk dat hun melancholieke roep samenvalt met de najaarstrek waarin nogal wat regen valt.

KLEINE PLEVIERCharadrius dubius
Duits Flussregenpfeifer
Engels Little Ringed Plover
Frans Petit Gravelot
Fries Lytse Bûnte Wilster
Betekenis wetenschappelijke naam: vogel van kloven en rivier beddingen, dubieus welke vogel. Met dubius wordt bedoeld dat dit vogeltje in het veld moeilijk is te onderscheiden van de Bontbekplevier. De overeenkomst tussen de beide soorten moet van invloed zijn geweest op het aantal namen, want de Kleine Plevier, die in Nederland toch geen zeldzame verschijning is, kreeg hier verder alleen nog de namen Kleine Pluvier en Citroenvogeltje, waarschijnlijk naar de gele oogring en dito poten, alsmede in Vlaanderen de namen Zandloper en Zandzwalm (= ‘strandzwaluw’).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pluvier steltloper 1272 [CG I1, 235] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut