Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plek - (plaats; vlek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plek zn. ‘plaats; vlek’
Mnl. plecke ‘plaats; vlek’ in hine was oec niet al wit; Maer vele min plecken hadde hi ‘hij was ook niet helemaal wit, maar hij had veel lelijke vlekken’ [1300-50; MNW-R], swartte plecken ‘zwarte vlekken’, lelike plecken ‘lelijke vlekken’ [beide 1351; MNW-P], als ... hij es ter plecke dat hij wonen sal ‘als hij op de plaats is waar hij moet wonen’ [14e eeuw; MNW], Omme plecke van mersche ‘om een stuk weiland’ [1358; MNW], ook placke ‘vlek, klodder’ in smitten ende placken ‘vlekken en klodders’ [1471; iWNT plak III], drie placken bloets ‘drie bloedvlekken’ [1479-1517; MNW-P]; vnnl. placke, plecke, vlecke ‘vlek; plaats, dorp’ [1599; Kil.].
Mnd. plecke ‘lap, vod, vlek’; < pgm. *plakjo- ‘vlek’. Herkomst onduidelijk. Gezien de betekenis lijkt er etymologisch verband te bestaan met → vlek. Dat zou betekenen dat de p- uit een substraattaal komt en geen Germaanse klankverschuiving heeft ondergaan (Kuhn 1961).
Wrsch. is de oorspr. betekenis ‘vlek’; ook in het Duits heeft zich bij Flecken ‘vlek’ de betekenis ‘gehucht, dorp’ ontwikkeld. Een vergelijkbare betekenisontwikkeling doet zich voor bij Engels spot. Zie ook → plak 1 en → plakken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plek* [plaats, punt] {plecke [plaats, plek, dorp] 1358} met vocaalwisseling naast plak2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plek znw. v., in het zuiden vaak = ‘plaatsʼ, mnl. plecke v. ‘plaats, plek, dorpʼ, mnd. plecke ‘plaats, vlekʼ staat naast plak (nog dial. ‘plek, plaatsʼ). — Ne. dial. pleck (sedert de 14de eeuw) is mogelijk aan het nl. ontleend (vgl. Bense 289).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plek znw., ook = “plaats” dial. zeer verbreid, mnl. (vooral noordndl.) plecke v. “plaats, plek, dorp”. = mnd. plecke v. “plaats, vlek”. Bij plak: vgl. dial. plak “plek, plaats” en voor de vocaalwisseling ook plekken naast plakken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plek v., een afleid. van plak + dial. Eng. pleck.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

plek s.nw.
1. Ruimte wat ingeneem word. 2. Posisie in so 'n ruimte. 3. Omgewing waar iemand woon. 4. Spesifieke gedeelte van iets. 5. Betrekking, posisie, rang. 6. Gebou of oord vir 'n spesifieke doel.
Uit Ndl. plek (al Mnl.). Soos ook in sommige Ndl. dialekte het Afr. plek ván die bet. van Ndl. plaats aangeneem. Wikar (1779) gebruik plek reeds soos in Afr. waar Ndl. plaats die gewone woord sou wees, hoewel hy ook plaats gebruik waar in Afr. slegs plek mntl. is (Boshoff - Nienaber 1967). Talle samestellings met plek, soos slaap-, skuur-, mis- en woonplek, kom by hom voor wat in Ndl. seldsaam of onbekend is.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1939).
Vgl. plaas.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

plek: vaste oord, posisie, ruimte; Ndl. plek (Mnl. plekke), soos in Afr. soms sinon. v. plaats (v. plaas) – vb. v. gebr. plaas/plek en v. kompo. by Scho TWK/NR 7, 2, p. 20 n.a.v. Wik se taal wat in ’n mate ooreenstem met dié v. Trig (s.v. plaas).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plek ‘plaats, punt’ -> Zweeds † plecker ‘vlekken of uitslag op het lichaam’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels plek ‘plaats, punt’ ; Negerhollands plek (na), ple, apē, api (ouder: wat plek) ‘waar (bijwijwoord en voegwoord)’; Berbice-Nederlands pleke ‘plaats, punt’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † plek ‘plaats, punt’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † wat plek ‘waar’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plek* plaats, punt 1358 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2399. Den vinger op de wond (of een wonde plek) leggen,

d.i. de wonde plek aanwijzen (dit o.a. in Nkr. III, 18 Juli p. 2); bij overdr. precies zeggen, waar een gebrek schuilt; ook de rotte plek aanwijzen; vgl. het fr. mettre le doigt sur un objet, toucher précisément l'objet qu'on cherche; mettre le doigt sur la difficulté ou sur la source du mal, sur la plaie (Hatzf. I, 773); hd. den Finger auf etwas legen; eng. to put the finger on the sore spot, on the real blot (Prick); vgl. W. Leevend III, 65: Dat zyn onopspraakelyke lieden! heden, er is geen vinger op te leggen; V, 271; C. Wildsch. I, 291; II, 17; III, 72; IV, 195: Eene zo braave familie, daar geen vinger op te leggen is (eig. bij wie geen kwaad is aan te wijzen); Busk. Huet, Litt. Fant. en Krit. I (anno 1881), bl. 42: Staat het vrij, den vinger te leggen op zijne (Cats') nulliteit, men zou ook in verzoeking kunnen komen het noodlot aan te klagen, dat hem, in stede van een bloedigen en roemrijken dood, slechts een rustigen ouden dag op Sorgh-Vliet gunde; De Arbeid, 25 Febr. 1914, p. 2 k. 3: Het zou ons te ver voeren op alle leugens en verdachtmakingen den vinger te leggen; Handelsblad, 12 Aug. 1913, p. 6 k. 2: Dit fijne diplomatieke antwoord moet een glimlach te voorschijn roepen om de lippen der Europeesche diplomaten, wijl de grootvizier daardoor den vinger legt op de wonde plek in de eenheid der mogendheden; Nw. School II, 73: Ik moet veronderstellen dat de heer V. Vliet iets bedoeld heeft, toen hij deze zinnetjes schreef; ik denk zooiets als het leggen van een vinger op een wond, met permissie; Het Volk, 19 Maart 1914, p. 3 k. 2: Bij de bespreking der woningwet, heeft hij den vinger gelegd op enkele wonde plekken; vgl. ook Het Volk, 7 Febr. 1914, p. 5 k. 1: In een van hartstocht trillend en van liefde voor den werkman blakend betoog heeft hij een der grootste wonde plekken in onze samenleving blootgelegd; Nkr. IX, 28 Aug. p. 2: Hier werd terecht de vinger gelegd op een gapende wonde, waaraan onze volkskracht doodbloeden konde; De Telegraaf, 29 Maart 1915, p. 7 k. 3: Ondeugend legt hij toch den vinger op de zeere plek; Afrik. hy het die vinger op die wond gelê.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut