Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pleiten - (de verdediging voeren in een geding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pleit zn. ‘rechtsgeding’
Mnl. plait ‘woordenwisseling; rechtsgeding, rechtszitting’ [1240; Bern.], ‘pleidooi, juridisch betoog’ in hi (t.w. de edelsteen calcedonius) doet dicke verwinnen plait in ghedinghe sonderlinghe ‘hij brengt vaak de overwinning in bijzondere rechtszaken’ [1287; VMNW], pleit ‘proces’ [1291; MNW].
Ontleend aan Oudfrans plaid ‘vonnis, proces’ [1080; Rey] (Nieuwfrans ‘geschil, twist’), eerder al ‘overeenkomst, verbintenis’ [842; TLF]. Dit woord is ontwikkeld uit Latijn placitum ‘leerstelling, principe; besluit; overeenkomst, verdrag’, eerder al ‘dat wat behaagt’, afgeleid van placēre ‘behagen, bevallen; van mening zijn, besluiten’, zie → plezant. Zie ook → pleidooi.
In de middeleeuwen kreeg het Laatlatijnse begrip placitum er onder de Merovingen een aan het Frankisch rechtssysteem ontleende nieuwe betekenis bij: ‘volksvergadering, waar ook recht gesproken wordt’. De verdere betekenisontwikkeling in juridische zin van Oudfrans plaid is ‘verplichting om te verschijnen voor het gerecht, dagvaarding’, daarna ‘rechtsgeding, proces’, betekenissen die eveneens bij het middeleeuws-Latijnse placitum voorkomen. Nederlands pleit komt alleen nog in vaste uitdrukkingen voor, zoals het pleit beslechten ‘een beslissing nemen in een geschil’ [1750; WNT].
pleiten ww. ‘een pleidooi houden’. Mnl. pleiten ‘aanklagen, vervolgen’ [1296; VMNW], ‘procederen’ [1364; MNW]; vnnl. pleiten ‘een pleidooi houden in een geding’ [1531; WNT] en bij uitbreiding ‘iets bepleiten, een pleidooi voor iemand of iets houden’ [1789; WNT]. Ontleend aan Frans plaider, afleiding van plaid (zie hierboven).
Lit.: F.L.Ganshof (1947), Geschiedenis van de middeleeuwse instellingen. De instellingen van West-Europa II, Gent

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pleiten ww., mnl. pleiten, plaiten, plêten ‘procederen, in rechte vervolgenʼ, mnd. pleiten, Teuth. pleyten, ofri. plaitia. — Uit het ofra. plaidier (nfra. plaider) werd ontleend mnl. pleidieren, pleidêren. — Zie ook: pleidooi en pleit 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pleiten ww., door Kil. “Holl.” genoemd, mnl. (vooral noordndl.) pleiten (plaiten, plêten) “procedeeren, in rechten vervolgen” (: zuidndl. pleidieren). = mnd. pleiten, Teuth. pleyten, ofri. plaitia “procedeeren”. Afl. van mnl. pleit, plait o. m. (pleite v. o.; nnl. pleit II o.) “proces, leed, kwelling”, Teuth. pleyt, mnd. pleit m., ofri. plait o. “proces”, dat zelf gew. uit fr. plaid (< lat. placitum) “id.” wordt afgeleid; de uitspraak van d als t aan ’t eind van een woord maakt verbuigingsvormen en een afgeleid ww. met t begrijpelijk (vgl. boertig). Daar echter van ouds alleen t-vormen voorkomen en deze zelfs tot in het Fri. toe gebruikelijk zijn, moeten wij veeleer aan vroege ontl. (± 800) uit ofr. plait (klankwettig uit placitum) denken, een frank. rechtsterm, die ook elders ontleend werd: it. piato, spa. pleito, port. pleito, prèito. Hiervan werd in de noordelijke ndl. gewesten, in ’t Fri. en Ndd. een denominatief ww. gevormd, in de zuidelijke streken werd ofr. plaidier (fr. plaider) als mnl. pleidieren, -êren overgenomen. Owfri., nieuwfri. placht “pleitgeding” kan rechtstreeks van het in Frankrijk van oudsher gebruikelijke lat. placitum, *plactum “rechtsdag” komen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

pleiten, ww.: vluchten. Bargoens. Afl. van pleite ‘bankroet’ in pleite gaan ’zich wegpakken, als bankroetier zich uit de voeten maken’. Hebr. peleitoh ‘ontvluchting’ (Endt).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2pleit ww.
1. In 'n regsgeding verdedig. 2. 'n Persoon of saak verdedig.
Uit Ndl. pleiten (al Mnl.), 'n afleiding van die Mnl. s.nw. pleit (sien 1pleit).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pleit: s.nw. en ww., hofsaak; pleidooi; pleitrede; Ndl. pleit en pleiten (Mnl. pleit/plait as s.nw. en pleiten/plaiten/pleten, “prosedeer”), hou verb. m. pleidooi (q.v.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pleiten ‘de verdediging voeren in een geding’ -> Papiaments pleita ‘de verdediging voeren in een geding; ruzie maken, met elkaar in onmin raken’ (uit Nederlands of Spaans).

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1841. Pleite zijn (of gaan),

d.w.z. failliet zijn; bankroet zijn; weg zijn; eig. er vandoor zijn; weggeloopen zijn, een bargoensche uitdrukking ontleend aan het hebr. p[e bakje]l[e bakje]tâ(h), peleito, vlucht. Vgl. Kalv. I, 96: De Leeuw is pleite; Nkr. VI, 25 Mei p. 6: Laten we 't maar zeggen, al moet het ons spijten; de partij en de krant zijn allebei pleite; Zoek. 143; Jord. II, 450: Die is pleite (= weg) joeg Korte Luuk hijgend en Piet betastte den bewusteloosineengezonken matroos. Hiernaast komt voor: pleitenOnze Volkstaal III, 197., pleite of pleiterik gaanZie Köster Henke, 54., wegloopen, zich bergen; pleite komen, wegkomen, ontkomen; pleite tippelen, wegloopen; ook alleen tippelen, bankroet gaan (vgl. Kalv. I, 15: Als Pooter tippelt, moeten er meer over den kop); pleite scheften, wegloopen; pleite maken, wegloopen, uitrukken; vgl. Dievenp. 90: Je hoorde ze boven stommelen en roepen: De doffe gajes (rechercheurs) in de spiese! - Maak pleite! Schof je toch wat!; Jord. 73: Poard-in-de-Schout..... maak je pleite..... je f'rfeelt maan...... viel Stijn norsch uit; A. Jodenh. 26: Die pasjtoor die wel in de gate had, dat hij wou plijte, was 'm te link af; II, 39: Gevlucht is-ie!.... hij is gaan plijte; 48: Zoo kom je nie van me af om te gaan plijte op een draf; Handelsblad, 26 Mei 1923 (O), p. 1 k. 5: De Franschen zullen een tijdlang lijdelijk aanzien in de hoop, dat het vuurtje zich over geheel Duitschland zal uitbreiden en het zoo gehate passieve verzet daardoor binnen zeer korten tijd ‘pleite’ zal zijn; Peet, 159; Jord. II, 361: Ik gaan pleiterik; Van Ginneken II, 87; Voorzanger en Polak, 234. In dezen zin gebruikt men ook zich hasjiewijne maken o.a. A. Jodenh. II, 29; 38; Jord. II, 317: Twee furies met mannekracht, die zich voor geen tien Leendert's asschewijne maaktenVgl hebr. hashiweinu (= voer ons terug); haschiwene, of hascheweine halchen, wegloopen, of aschewin dippeln, ook gasjewijnen, weggaan, er vandoor gaan; het znw. sjewijn, fiets, ook in den vorm zwijn en de samenstellingen swijnrijder, fietsrijder; zwijnenverhuurder, zwijnen bollebof; zwijnenjacht, uitgaan op het stelen van fietsen, zwijntjesjager, fietsendief (Köster Henke, 76; Museum, 1907, p. 414; N. Taalgids X, 283; Haagsche Post, 3 Aug. 1918, p. 907 k 3)., gaan zweeten (S. en S. 53) of aan de hakspier trekken (S. en S. 54; vgl. fr. tirer au cul ou au flanc); zich of het wieberig maken (in A. Jodenh. 19; Köster Henke, 74; Jord. II, 467; Peet, 159Dit wieberig acht men ontstaan uit wajiwrag Ja'akouf = Jacob vlood (Hosea XII, 13) Zie N. Taalgids X, 284.. Ook in het hd. pleite gehen, machen, ook: plette gehen oder schieszen, ontvluchten, ontkomen, bankroet gaan; Pleitegeier, ein Pleite- oder Bankerottmacher in betrügerischem Sinne; vandaar de joodsche spreekwijze zoof zocher le Pleite, zoo gannewVgl. ons gannef (hebr. gannáb), dief; ook algemeen scheldwoord; gannefen, stelen (hebr. ganab), gappen (zie Museum, XI, 101), begannefen (in Peet, 61). lithlio, het einde van een koopman is het bankroet, het einde van een dief de galg (Kluge, Rotw. 304; 352; 385; Rabben, Gaunerspr. 102).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal