Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pleite - (weg, ervandoor)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pleite bn. (NN) ‘weg, ervandoor’
Nnl. pleite zijn ‘weg zijn, failliet zijn’ [1899; Woordenschat], pleite gaan ‘weggaan, weglopen’, pleite ‘weggegaan zijn, weg’ [beide 1906; Boeventaal].
Ontleend aan het Jiddisch pleite ‘failliet, weg’, als zn. ook ‘vlucht, faillissement’. Het woord gaat terug op Hebreeuws pəlēṭā ‘redding, vlucht’.
Zo ook Duits Pleite (zn.) ‘faillissement’, pleite sein ‘failliet zijn’.
In het Nederlands is de Jiddische betekenis ‘failliet, bankroet’, via de betekenis ‘(met schulden) ervandoor zijn gegaan’, overgegaan in ‘weg’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pleite [barg.: weg, bankroet] {1901-1925} < jiddisch pleite [failliet, faillissement] < hebreeuws pəlēṭā [redding, ontvluchting]; vgl. rotwelsch pleite [vlucht].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pleite in de uitdr. pleite maken ‘zich verstoppenʼ, pleite zijn ‘bankroet zijnʼ is een barg. woord uit joods pelaitoh ‘ontvluchtingʼ (Moormann 1, 340).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pleite v. (bankroet), uit Jodenduitsch pleito, Hebr. pǝlēṭāh = vlucht.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pleite (Jiddisch pleite)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pleite bijwoord van richting: Bargoens: weg 1904 [WNT] <Jiddisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1841. Pleite zijn (of gaan),

d.w.z. failliet zijn; bankroet zijn; weg zijn; eig. er vandoor zijn; weggeloopen zijn, een bargoensche uitdrukking ontleend aan het hebr. p[e bakje]l[e bakje]tâ(h), peleito, vlucht. Vgl. Kalv. I, 96: De Leeuw is pleite; Nkr. VI, 25 Mei p. 6: Laten we 't maar zeggen, al moet het ons spijten; de partij en de krant zijn allebei pleite; Zoek. 143; Jord. II, 450: Die is pleite (= weg) joeg Korte Luuk hijgend en Piet betastte den bewusteloosineengezonken matroos. Hiernaast komt voor: pleitenOnze Volkstaal III, 197., pleite of pleiterik gaanZie Köster Henke, 54., wegloopen, zich bergen; pleite komen, wegkomen, ontkomen; pleite tippelen, wegloopen; ook alleen tippelen, bankroet gaan (vgl. Kalv. I, 15: Als Pooter tippelt, moeten er meer over den kop); pleite scheften, wegloopen; pleite maken, wegloopen, uitrukken; vgl. Dievenp. 90: Je hoorde ze boven stommelen en roepen: De doffe gajes (rechercheurs) in de spiese! - Maak pleite! Schof je toch wat!; Jord. 73: Poard-in-de-Schout..... maak je pleite..... je f'rfeelt maan...... viel Stijn norsch uit; A. Jodenh. 26: Die pasjtoor die wel in de gate had, dat hij wou plijte, was 'm te link af; II, 39: Gevlucht is-ie!.... hij is gaan plijte; 48: Zoo kom je nie van me af om te gaan plijte op een draf; Handelsblad, 26 Mei 1923 (O), p. 1 k. 5: De Franschen zullen een tijdlang lijdelijk aanzien in de hoop, dat het vuurtje zich over geheel Duitschland zal uitbreiden en het zoo gehate passieve verzet daardoor binnen zeer korten tijd ‘pleite’ zal zijn; Peet, 159; Jord. II, 361: Ik gaan pleiterik; Van Ginneken II, 87; Voorzanger en Polak, 234. In dezen zin gebruikt men ook zich hasjiewijne maken o.a. A. Jodenh. II, 29; 38; Jord. II, 317: Twee furies met mannekracht, die zich voor geen tien Leendert's asschewijne maaktenVgl hebr. hashiweinu (= voer ons terug); haschiwene, of hascheweine halchen, wegloopen, of aschewin dippeln, ook gasjewijnen, weggaan, er vandoor gaan; het znw. sjewijn, fiets, ook in den vorm zwijn en de samenstellingen swijnrijder, fietsrijder; zwijnenverhuurder, zwijnen bollebof; zwijnenjacht, uitgaan op het stelen van fietsen, zwijntjesjager, fietsendief (Köster Henke, 76; Museum, 1907, p. 414; N. Taalgids X, 283; Haagsche Post, 3 Aug. 1918, p. 907 k 3)., gaan zweeten (S. en S. 53) of aan de hakspier trekken (S. en S. 54; vgl. fr. tirer au cul ou au flanc); zich of het wieberig maken (in A. Jodenh. 19; Köster Henke, 74; Jord. II, 467; Peet, 159Dit wieberig acht men ontstaan uit wajiwrag Ja'akouf = Jacob vlood (Hosea XII, 13) Zie N. Taalgids X, 284.. Ook in het hd. pleite gehen, machen, ook: plette gehen oder schieszen, ontvluchten, ontkomen, bankroet gaan; Pleitegeier, ein Pleite- oder Bankerottmacher in betrügerischem Sinne; vandaar de joodsche spreekwijze zoof zocher le Pleite, zoo gannewVgl. ons gannef (hebr. gannáb), dief; ook algemeen scheldwoord; gannefen, stelen (hebr. ganab), gappen (zie Museum, XI, 101), begannefen (in Peet, 61). lithlio, het einde van een koopman is het bankroet, het einde van een dief de galg (Kluge, Rotw. 304; 352; 385; Rabben, Gaunerspr. 102).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut