Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pleisteren - (de reis onderbreken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pleisteren [de reis onderbreken] {hem plaisteren [zich te goed doen] 1401-1425, pleisteren [de reis onderbreken] 1647} met later tussengevoegde l < peisteren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pleisteren 2 ww. ‘reis voor rust onderbrekenʼ is reeds mnl. in de plaats getreden van peisteren ‘voedsel geven, grazen, laten weidenʼ en dan ook ‘pleisterenʼ < ofra. paistre (nfra. paître) < lat. pascere.

Opmerkelijk is de invoeging van l evenals in plaveien, waarvoor men bezwaarlijk met van Ginneken Taaltuin 3, 1934-5, 192 een mouillering kan aanvoeren. Mag men denken aan het andere woord pleisteren en daarbij herinneren aan ‘ergens blijven plakkenʼ?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pleisteren II (rust houden). Deze vorm met secundaire l (onder invloed van pleisteren I?) nog niet bij Kil. Uit mnl. peisteren “voedsel geven, zich voeden, grazen, laten weiden”, ook reeds “pleisteren”. Uit ofr. paistre (fr. paître) “weiden” (< lat. pâscere).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pleisteren II (rust houden). De l-vorm is wsch. al mnl.: N. Doct. hem playsteren ‘zich te goed doen’. Dat de l als gevolg van vroegere mouillering der p zou zijn opgekomen (van Ginneken Taaltuin 3, 192) is niet waarschijnlijk te maken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pleisteren ono.w., met epenthet. l, uit peisteren (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pleisteren ‘rust houden’ (van Oudfrans paistre)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Pleister—Pleisteren. Pleister, vroeger plaaster, (mnl. plaester, plaster, plaister) zoowel in de beteekenis van met zalf besmeerde lap, dienend tot heel- of uittrek- of verwarmmiddel, als in de beteekenis van kalk, en derg. bouwmateriaal, uit het fra. plâtre, nu met de gewone wijzigingen en met het voorvoegsel in tot emplâtre geworden, dat door het lat. teruggaat op het Grie. (em)plastron. Pleisteren, met kalk enz. besmeren, is een afleiding van dit woord. Een ander woord is pleisteren in den zin van rust, verfrissching nemen; dit is misschien onder den invloed van klankgelijkenis met het andere woord, ontstaan uit peisteren, van ’t fra. paître, in zijn vroegeren vorm paistre = lat. pascere, voeden, weiden. Vla. Placaatb, 3, 1103.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pleisteren staat voor ’t Mnl. peisteren (zie ook plavei) en dit van ’t Ofr. paistre, van ’t Lat. pascere = voeden. Vgl. ’t Mnl.: „Hi liet syn pert (paard) peysteren in ’t gras.” „De slangen, die mijn vleesch hebben bevangen, om hen (= zich) te peysterne daer mede.” Pleisteren was dus oorspr. voedsel geven, en vooral grazen; daarna: van ’t paard afstijgen, om het te laten grazen en eindelijk: ophouden, verwijlen, vertoeven; Pleisterplaats.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pleisteren ‘de reis onderbreken’ -> Duits dialect † pleistern ‘zich tijdens de reis in een herberg verkwikken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pleisteren de reis onderbreken 1647 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut