Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plegen - (gewoon zijn (te doen); iets verrichten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plegen ww. ‘gewoon zijn (te doen); iets verrichten’
Mnl. plien, pleghen ‘uitoefenen, uitvoeren’ in [da]t her al der boser seden plag ‘dat hij steeds verkeerde dingen deed’ [1200; VMNW], de du der costerien plag ‘die toen het ambt van koster uitoefende’ [1200; VMNW], plegt ‘is gewoon (te doen)’ [1240; Bern.], plien ‘gewoon zijn (te doen)’ [1265-70; VMNW], dat doepsel dat men nu pliet ‘het doopritueel dat men nu uitvoert’ [1285; VMNW], ‘begaan’ in Te pleghene sire weldicheden ‘om zijn wellust uit te leven’ [1287; VMNW]; vnnl. de Dood, die een Vloeck placht te weesen [1648; iWNT], De Nalatigheid, hier inne gepleegd [1678; iWNT].
Os. plegan ‘instaan voor’; ohd. pflegan ‘instaan voor, zorgen voor, besturen’ (nhd. pflegen); ofri. plegia, pligia ‘zich verplichten, nakomen’ (nfri. pliigje) en mogelijk ook oe. plegian ‘spelen’ (ne. play); < pgm. *plegan-. De afzonderlijke betekenissen zijn zeer divers. De oorspronkelijke betekenis is wrsch. ‘instaan voor’, vanwaar ‘zich voor iets inzetten’ en ‘zorgen voor’. Te vergelijken zijn verder de zn.: ohd. pflegida ‘gevaar’; ofri. ple, pli ‘gevaar’; oe. pleoh ‘gevaar, risico’.
Etymologie onzeker. Herkomst uit een woord met anlaut pie. *bl- lijkt nauwelijks mogelijk. Men heeft daarom gedacht aan een andere vorm zoals *dl-, maar ook dat lijkt niet waarschijnlijk.
De oorspr. vorm van dit sterke werkwoord was mnl. plien, met de stamtijden plach, plaghen, geploghen, maar al in het vroegste Middelnederlands komt ook de vorm pleghen voor. Later werd dat de gewone vorm. In het Nieuwnederlands ontstond een splitsing naar betekenis. Plegen ‘gewoon zijn, gewend zijn’ bleef een sterke verleden tijd houden, maar omdat het woord altijd voorkwam in combinatie met te + infinitief, werd de verleden tijdvorm plach(te) geherinterpreteerd als placht (te). Plegen in de overgankelijke betekenis ‘verrichten’ kreeg de zwakke vervoeging pleegde, gepleegd. Zie ook → plicht en → plechtig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plegen* [gewoon zijn] {plegen 1200, naast plien 1265-1270} oudsaksisch plegan, oudhoogduits pflegan, oudfries plegia, oudengels plēon; etymologie onbekend, vgl. ook plicht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plegen ww., mnl. plēghen, plien ‘instaan voor, zorg of belangstelling hebben voor, zich bezighouden met, doen, gebruiken, omgaan met, gewoon zijnʼ, os. plegan ‘instaan voorʼ, ohd pflegan ‘instaan voor, zorgen voor, besturen, zich bezighouden met, gewoon zijnʼ (nhd. pflegen), ofri. plegia, pligia ‘zich verplichten, nakomen, gewoon zijnʼ (on. plega ‘zich bezighouden metʼ < mnd., waarschijnlijk ook plaga ‘uitvoerenʼ). Terecht merkt FW 507 op, dat men moet uitgaan van de bet. ‘instaan voorʼ, waarop wijzen oe. plech o. ‘gevaar, risicoʼ, ofri. plē, plī ‘gevaarʼ, evenals ohd. pflegida ‘gevaarʼ, maar niet minder de bet. van de afl. plicht. (Het is onzeker of men fra. pleige (> ne. pledge) ‘pandʼ als ontlening aan dit germ. woord mag beschouwen; vgl. daarvoor Gamillscheg 701).

Men moet echter ook rekening houden met oe. plega ‘spelʼ, plegian ‘spelenʼ (ne. play), waarop reeds Kauffmann ZfdPh 47, 1918, 155 vlgg. gewezen heeft, maar als hij dan wil uitgaan van een bet. ‘toestemmen in een rechtshandeling door zwaaien en samenstoten der wapenenʼ dan is dit zeker onaanvaardbaar. Ook de herinnering aan de verbinding van rechtsgebruiken en spel, waarop Huizinga gewezen heeft, bevredigt niet. Men moet uitgaan van een situatie, waarin zowel de rechtshandeling als het spel een functie kunnen hebben gehad. J. Trier PBB 67, 1944, 131-6 verbindt hiermee het woord ploeg. Daarom wil hij uitgaan van het begrip ‘vlechtwerkʼ en daaruit over ‘gevlochten haagʼ > ‘omheinde mannenvergaderplaatsʼ komen; daarin vinden juist de bovengenoemde handelingen plaats. Verder gaat hij uit van een idg. anlaut dl-, waartoe men reeds gekomen was op grond van iers dliged ‘plicht, wet, rechtʼ, dligim ‘ik heb recht opʼ, maar verbindt dit dan verder met telg, waarmee het materiaal van het vlechtwerk gegeven is. De hypothese is koen, maar wordt door verleidelijke parallelle gevallen gesteund.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plegen ww., mnl. plēghen, (wellicht ouder) plien (*pleχanan) “instaan voor, zorg of belangstelling hebben voor, zich bezighouden met, doen, gebruiken, bezigen, omgaan met, gewoon zijn, ergens veel voorkomen”. = ohd. pflëgan “instaan voor, zorgen voor, besturen, zich bezighouden met, gewoon zijn” (nhd. pflegen), os. plëgan “instaan voor”, ofri. plëgia, pligia “zich verplichten, nakomen, gewoon zijn”, in de laatste bet. ook plëga, ags. de wellicht oudere infin. plêon (*pleχanan) “aan gevaar blootstaan”. Ontl.: laat-on. plëga “zich bezighouden met”, plaga “zorgen voor, houden van”. Blijkbaar is de oudste bet. “instaan voor, zich voor iets aan risico, gevaar blootstellen”. Hierop wijzen behalve de reeds genoemde werkwoorden: 1. ofri. plê, plî o. “gevaar”, ags. pleoh o. “id., risico”, 2. ohd. pfligida v. “id.”, 3. de beteekenissen van plicht, 4. ontll. als mlat. plegium, fr. pleige > eng. pledge “borg, pand”. Met deze oorspr. bet. houden de meeste etymologieën (die deels ook om andere redenen verwerpelijk zijn) geen rekening, als daar zijn: 1. plegen uit * at-leʒanan “liggen op” (zie liggen): vgl. lat. in-cumbere “zich toeleggen op”, — 2. plegen bij ohd., mhd. spulgen “gewoon zijn”, — 3. plegen bij gr. blépō “ik zie”, — 4. plegen bij obg. blagŭ “goed”. Ook lat. bu-bulcus “ossendrijver” mag niet gecombineerd worden: it. bifolco wijst op een oerumbrosamnitisch *bufuleos: ’t 2de lid = gr. phulakós “wachter”. De semantisch te verdedigen combinatie met ier. dliged “plicht, wet, recht”, dligim “ik verdien, heb recht op”, kymr. dleu, dylu, dyleu “debere”, waarbij germ. pl- uit dl- wordt verklaard (vgl. ploeg I) heeft twee dingen tegen: 1. voor de kelt. woorden kan een even goede etymologie gegeven worden, als we van idg. dh uitgaan, 2. de ags., fri., ndl. vormen met germ. χ zouden dan niet anders dan als “neubildungen” begrijpelijk zijn. Semantisch en formeel aannemelijk is de combinatie met lat. lacio “ik lok” (lacit “inducit in fraudem” Paul. Fest.), hoogerop met dolus enz. (zie taal): idg. *dle-q-ô “ik stel (mij) aan gevaar, aan lagen bloot”. Een combinatie van plegen met ags. plega m. “spel”, plegian, plegan, plagian (eng. to play) “spelen” wordt door de bet. niet gemotiveerd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

plegen. Vermelding verdient de poging van Kaufmann ZsfdPh. 47, 155 vlgg., om ags. plega ‘spel’, plegian enz. ‘spelen’ met plegen te combineren. De ospr. bet. zou dan te herleiden zijn tot ‘toestemmen in een rechtshandeling door zwaaien en samenstoten der wapenen’. (Soortgelijke begripsontw. neemt K. aan voor spel in kerspel: zie dat woord Suppl.). Of hiermee de verbinding tussen ‘zich verplichten, voor iets instaan’ en ‘spelen’ juist is getroffen, kan in het midden worden gelaten. Zeker is, dat bij germ. rechtspraak en verdragsluiting meermalen handelingen plaats vonden, die dicht bij het spel stonden en soms als spel voortleven: zie Huizinga, Over de grenzen van spel en ernst in de cultuur (rectorale rede) 21 vlg. De gehele strekking van die rede maakt zeer aannemelijk dat de ags. eng. woorden voor ‘spelen’ en ‘spel’ in de groep van plegen behoren. Een dergelijk verloop van ernst tot spel vertoont de groep van wedden.
Niet aannemelijk is de afl. (Brøndal Substr. og Laan 144 vlg.) van plegen uit het Rom.: de groep van mlat. plebium ‘borgtocht’, plebire ‘zich verplichten’ eerder uit het Germ., al is formeel niet alles helder.
De combinatie met lat. lacio ‘ik lok’ is hoogst twijfelachtig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plegen o.w., Mnl. pleghen, plien, Os. plegan + Ohd. pflegan (Mhd. pflegen, Nhd. id.), Ags. pléon, Ofri. plegia: oorspr. onbek.; de bet. is instaan voor, zorgen voor, van daar zorgvuldig doen, gewoonlijk doen en in ’t algemeen doen (een misdaad plegen). Uit Ndd. Zw. pläga, De. pleie.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pleeg ww.
Iets doen of verrig, veral 'n verkeerde handeling.
Uit Ndl. plegen (al Mnl.). Die oudste bet. in Mnl. is 'instaan vir, jou besig hou met', soos ook blyk uit die etimologies verwante plicht (sien plig).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pleeg: doen, verrig; Ndl. plegen (Mnl. plēghen/plien, “instaan vir; jou besig hou met”), Hd. pflegen, hou verb. m. Ndl. plicht, Afr. plig en Eng. plight, wsk. ook m. Eng. play, maar verw. m. Eng. pledge betwyfel; herk. hoërop hou nog onopgeloste vraagstukke in; v. ook ploeg II.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plegen ‘gewoon zijn’ -> Deens pleje ‘gewoon zijn; verplegen, verzorgen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors pleie ‘gewoon zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds pläga ‘gewoon zijn’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plegen* gewoon zijn 1200 [CG II1 Servas]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut