Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plee - (toilet)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Van mamá tot plee
Franse leenwoorden in het Nederlands

“Meent gij, dat de Nederlander een Fransch poespas noodig heeft, om zich in zijne volkstaal beschaafd te kunnen uitdrukken?”, vroeg de van oorsprong Duitse predikant J.G.C. Kalckhoff in het anoniem verschenen pamflet Proeve tegen de verbastering der Nederlandsche taal, door beschaafde Nederlanders uit 1829. De aanleiding voor deze vraag was dat vrienden van hem zich door hun kinderen ‘papa’ en ‘mama’ lieten noemen; dat was Frans, en dat wekte zijn afschuw.
Weinig Nederlanders zullen beseffen dat de zo alledaagse en vertrouwde woorden papa en mama Franse leenwoorden zijn. De opmerkingen van Kalckhoff komen overigens redelijk laat, want papa en mama zijn op het moment dat hij zich erover opwindt al bijna twee eeuwen in het Nederlands in gebruik. Sinds halverwege de zeventiende eeuw komen ze voor, uitgesproken met eindaccent, zoals in het Frans: ‘papá’ en ‘mamá’. Aanvankelijk waren het de hogere kringen die Franse leenwoorden gebruikten. Papa, mama en enkele andere familietermen waren vermoedelijk in de spreektaal geïntroduceerd door de uit Frankrijk gehaalde gouvernantes, gouverneurs en kindermeisjes: Frans was van de veertiende tot de negentiende eeuw de hoftaal en de taal van de hoogste kringen. Die hogere standen waren tweetalig, en wanneer zij Nederlands spraken, doorspekten ze dit met Franse woorden. Dat Kalckhoff pas in 1829 bezwaren aantekende, zal komen doordat de napoleontische oorlogen nog vers in het geheugen lagen, maar ook doordat op dat moment papa en mama doorgedrongen waren tot alle lagen van de bevolking. Omdat de lagere kringen geen Frans kenden, spraken zij de woorden op z’n Nederlands uit, met de klemtoon op de eerste lettergreep: ‘pápa’ en ‘máma’.

Belle-soeur
In de zeventiende eeuw veranderden alle familienamen onder invloed van het Frans. Zo gingen Nederlanders de Franse leenwoorden tante en kozijn (in het Frans cousin) gebruiken in plaats van de oudere Nederlandse aanspreekvormen moei en neef. Dat kozijn is trouwens niet tot het Standaardnederlands doorgedrongen; het wordt nu alleen nog maar in het Zuid-Nederlands gebruikt.
Daarnaast stamt uit deze periode een groot aantal leenvertalingen van Franse familiebenamingen: grootvader en grootmoeder (in het Frans grand-père, grand-mère) verdrongen de Middelnederlandse aanduidingen oudervader en oudermoeder (‘vader of moeder van de ouder’). De vertalingen kleindochter en kleinzoon, gemaakt naar het Franse voorbeeld petite-fille en petit-fils, kwamen in de plaats van oudere Nederlandse omschrijvingen als dochterszoon, zoonszoon, dochtersdochter, dochterszoon en kindskind.
Aangetrouwde familieleden kregen benamingen met schoon-, als vertaling van het Franse beau- of belle-: schoonbroer, schoonzus (in het Frans beau-frère, belle-soeur), schoondochter, schoonzoon (belle-fille, beau-fils), en schoonmoeder, schoonvader (belle-mère, beau-père). De betekenisovergang ontstond in Franse hofkringen: aanvankelijk gebruikte men beau (‘schoon, mooi’) om iemand mee aan te spreken, bijvoorbeeld in beau sire, bel ami ‘(‘schone heer’, ‘schone vriend’). Vervolgens werd dit overgedragen op aangetrouwde familieleden. Nederlandse hofkringen namen dit gebruik over. Schoondochter kwam in de plaats van het oudere snaar, maar zwager hield stand naast schoonbroer.

Krek
De tweetalige hogere kringen doorspekten hun Nederlands dus met Franse woorden. Nederlanders die niet vertrouwd waren met het Frans, namen ze als prestigieuze leenwoorden over uit het taalgebruik van de hogere kringen, want dat stond chic. In de burgerkringen was het met de kennis van het Frans echter niet al te best gesteld, zo blijkt wel uit het bekende puntdicht van Constantijn Huygens uit 1647, getiteld ‘Frans syn Frans’, over de geheel eigen versie van het Frans die een zekere Frans erop na hield:
Frans spreeckt syn Frans gelijck syn Duijtsch [Nederlands – HB en NvdS], Die eer hoor ick hem geven:
Maer ick ben van die gevers niet, Frans moet het mij vergeven.
Ick moet bekennen, Frans spreeckt Frans: Maer noch en is ’t geen fyn Frans.
Ghy moet’er by bekennen, Frans spreeckt, niet syn Fransch, maer syn Frans.

Mensen die zelf niet zo goed Frans kenden, vernederlandsten de leenwoorden, waardoor deze soms onherkenbaar veranderden. In de volkstaal en dialecten vinden we allerlei ontleningen in verbasterde vorm. Zo doorspekten auteurs die boeren of het ‘gewone’ volk aan het woord lieten, hun taalgebruik vroeger met krek (van het Franse correct): “Ik zit te kyken krek als een bepiste Paap”, schreef iemand in 1730, en in 1833 schreef Jacob van Lennep: “’Ik woon te Rijming,’ antwoordde de boer: ‘even oet het dorp en krek aan de rivier.’” Een ander woord waarmee de taal van bepaalde groepen werd getypeerd, was astrant (‘brutaal’), van het Franse assurant (‘zelfverzekerd’): in 1871 is bijvoorbeeld sprake van een “werkmeid, die zooals al hare kennisjes zeiden, zeer ondeugend en ‘astrant’ was”.

Merakels
Verbasterde Franse leenwoorden die in de spreektaal of dialecten nog wel gebruikt worden, zijn bijvoorbeeld ajuus (van het Franse adieu) en merakels, van miracles (‘wonderen’) – als uitroep in de betekenis ‘wat een wonder!’ Tantefeer betekent ‘bemoeial, druktemaker’; het komt van het Franse tant à faire (‘zoveel te doen’). Ambetant (‘vervelend’), komplementen, manjefiek, reneweren/rinneweren en saggerijn zijn verbasteringen van de Frans woorden embêtant, compliments, magnifique, ruïner en chagrin. De dialecten kennen Franse leenwoorden die in het Standaardnederlands niet voorkomen, zoals het Noord-Brabantse gedukkelek (‘gebrekkig’, van het Franse caduc), en het Overijsselse koeterdekoet voor coûte que coûte. En er zijn honderden voorbeelden meer.
Sommige van de verbasteringen zijn doorgedrongen tot de beschaafde standaardtaal: fatsoen (van het Franse façon, ‘manier van doen’), kanjer (van cagnard, ‘lui, onverschillig’), krant (van courant), kreng (van carogne, ‘rottend kadaver’), rantsoen (van ration), peinzen (van penser) en po (van pot; de Fransen spreken de slot-t niet uit). De afwijkende spelling van deze woorden vormt een aanwijzing dat de ontlening door mondeling contact heeft plaatsgevonden.
Andere Franse leenwoorden – de meeste – zijn daarentegen nog steeds goed herkenbaar als Frans, ook al zijn ze eeuwen geleden overgenomen: zo kwamen accorderen, appelleren, amoureus, arresteren, arriveren, baron en gracieus al in het dertiende-eeuwse Nederlands voor. Het gaat om woorden die in de dagelijkse spreektaal nauwelijks voorkwamen en die waarschijnlijk vooral zijn doorgegeven via literaire of ambtelijke geschreven bronnen.

Derrière
Franse woorden waren en zijn nog steeds populair als verzachtende uitdrukking, oftewel eufemisme, omdat de Franse woorden minder grof en plat klonken. En nog steeds gebruiken we voor ‘nare’ zaken wel Franse leenwoorden, bijvoorbeeld transpireren in plaats van zweten, attaque in plaats van beroerte of urineren in plaats van pissen. Vroeger sprak men van derrière in plaats van achterste.
Voor ‘wc’ bestond het nietsverhullende woord kakhuis, en ook wel (geheim) gemak, eigenlijk: ‘plaats waar men zich rustig kan terugtrekken’. Al in de vijftiende eeuw gebruikte men daarnaast het keurige leenwoord secreet, een verkorting van het Franse chambre secrète, letterlijk ‘geheime kamer’. In de negentiende eeuw deden de Franse leenwoorden toilet, plee, urinoir, pissoir, retirade en latrine hun intrede. Tegenwoordig is plee niet langer een eufemisme, maar zo is het wel begonnen; in de negentiende eeuw gold het als deftig woord. Het gaat terug op plaît-il? (‘wat belieft u, wat is er van uw dienst?’) Toen het watercloset (wc) met stromend water uit Engeland werd ingevoerd, bleef men plee gebruiken, maar dan alleen voor een toilet zonder stromend water. Inmiddels bestaan die in Nederland niet meer, en wordt plee gebruikt voor ‘wc’ in het algemeen, maar het woord geldt in veel kringen als ‘plat’ – misschien speelt nog steeds mee dat wc’s zonder stromend water vroeger tweederangs wc’s waren.
Ook woorden als bordeel, prostitutie, prostituee, maitresse, maintenee en bon-vivant komen uit het Frans. Naar aanleiding van deze woorden schreef hoogleraar Frans J.J. Salverda de Grave in 1906 in een omvangrijk werk over Franse leenwoorden in het Nederlands: “Er zullen er misschien onder mijn lezers zijn die uitroepen: ‘Daar ziet men weer hoe onzedelik die Fransen zijn, en hoe zedelik wij, daar wij voor al die lelike dingen geen eigen woorden hebben.’ Men zou kunnen antwoorden dat wij die termen dan toch wel nodig schijnen te hebben gehad.”
Wij zouden willen zeggen: touché!
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2015), ‘Van mamá tot plee: Franse leenwoorden in het Nederlands’, in: Onze Taal 6, 154-156]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plee zn. ‘toilet’
Nnl. plait-il? “(spr. plètíe), wat belieft u, wat is er van uw dienst, wat zegt ge? ook als subst. euphemistisch gebezigd voor secreet, geheim gemak, in de wandeling de platie” [1847; Kramers plaisant], de moeder ging ... naar de plee [1889; Sanders 2002], op de plee zitten [1898; Van Dale].
Ontstaan als eufemisme, zie de omschrijving in de attestatie uit 1847. Later werd het woord pleti nog verder verkort tot plee. Frans plaît-il ‘wat blieft u’ is een vervoeging van het werkwoord plaire ‘behagen, believen’, ouder plaisir ‘id.’ [1050; Rey], ontwikkeld uit vulgair Latijn placere ‘id.’, nevenvorm van klassiek Latijn *placēre ‘id.’, zie → plezant.
Het woord behoorde aanvankelijk tot deftig taalgebruik. Na de invoering in de 20e eeuw van het watercloset (zie → wc) ontstond een contrast tussen beide woorden: een plee werkte zonder stromend water. Tegenwoordig is plee weer synoniem met wc en toilet, maar behoort het tot een platter stijlregister.
Lit.: E. Sanders (2002), “Woordhoek: Naar de plee”, in: NRC 14, 21 en 28 januari 2002

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plee [toilet] {1898} etymologie onzeker, wordt algemeen gezien als een vervorming van frans petit (cabinet), ook heeft men frans plaît-il als de bron gezien, evenals engels place; de nl. variant pleti(e) zou dan een verkleiningsvorm zijn. Volgens anderen volksuitspraak van laatste, beklemtoonde lettergreep van frans s'il vous plait; met deze woorden wees men iemand het toilet.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

plee

Het woord plee is de in de 19e eeuw opgekomen benaming voor wat wij thans met een Engels woord w.c. (watercloset) of met een Frans woord toilet noemen. Vroeger kwam naast plee ook pleti voor, een woord dat Van Looy nog gebruikt in Jaapje en dat hij een Frans woord noemt.

Meestal verklaart men plee uit plait-il, de woorden waarmee op beleefde wijze wordt gevraagd of verwezen naar de plaats ‘waar de keizer te voet gaat’. Maar de Fransman gebruikt in dit geval deze woorden niet. Daarom heeft men ook gedacht aan een verbastering van petit (cabinet). In petit zou dan een l zijn ingevoegd, daarna zou het woord zijn verkort tot ple (met een toonloze e, een uitspraak die men nog wel hoort) en dit zou weer tot plee zijn verlengd. Ook deze verklaring is zeer gewrongen. Eerlijker is het te zeggen: wij weten het niet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plee znw. m., eerst laat-nnl., wil men afleiden uit fra. petit (cabinet) vgl. pleti.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plee, pleti znw., later-nnl. De afl. uit fr. plaît-il “wat belieft u?” is minder wsch. dan die uit petit (scil. cabinet).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pleti, plee v., wellicht uit een der Fr. formules om zich in een café of restauratie het gemak te laten wijzen, als vous plaît-i(l) (de mindiquer le cabinet) of le cabinet si vplaît? Waarschijnlijker is plee ontleend aan Eng. place (z. plaats), waarvan men den slotsisklank als meervoudsuitgang beschouwde, zooals reeds in ʼt Eng. met chay, marquee, pea, pleb geschied is. Dan is pleti dimin. van plee.

pleti, plee v., wellicht uit een der Fr. formules om zich in een café of restauratie het gemak te laten wijzen, als vous plaît-i(l) (de mindiquer le cabinet) of le cabinet si vplaît? Waarschijnlijker is plee ontleend aan Eng. place (z. plaats), waarvan men den slotsisklank als meervoudsuitgang beschouwde, zooals reeds in ʼt Eng. met chay, marquee, pea, pleb geschied is. Dan is pleti dimin. van plee.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

plee (zn.) toilet; Nuinederlands platie <1847> < Frans plait-il.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

plee (van Frans plaît-il of s’il vous plaît of petit (cabinet))

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

plee. In ons enquêtemateriaal kwamen wij regelmatig de verwensing zak door de plee! tegen. Zij drukt woede, boosheid, frustratie enz. uit. Een zeventienjarige correspondente uit Noord-Brabant kende deze verwensing met de uitbreiding zak door de plee en neem je moeder mee! Onder regie van het als vulgair gekarakteriseerde plee krijgt de emotie extra minachtende diepgang. In andere verwensingen met zak worden het object van de woede de vreselijkste dingen toegewenst, bijvoorbeeld zak in je graf. → zakken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plee ‘toilet, wc’ -> Sranantongo plei ‘toilet, wc’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

kakhuis. Vanaf de zestiende eeuw zette men speciale houten gebouwtjes neer op het erf, achter of naast het huis of aan de openbare weg, waarin men zijn behoefte kon doen. Dergelijke gebouwtjes werden kakhuis genoemd. Later werd kakhuis ook wel gebruikt voor een toilet binnenshuis. Andere benamingen hiervoor zijn schijthuis, gemakhuisje en buitenprivaat, maar op grond van het aantal citaten in het WNT moeten we concluderen dat kakhuis het normale woord was: dit woord wordt vermeld van 1567 tot in de negentiende eeuw - daarna verdwijnt het geleidelijk met de veranderde inrichting van de wc, zoals aansluiting op het riool en toevoeging van een waterspoelingsinstallatie. Van schijthuis en gemakhuisje vermeldt het WNT slechts heel weinig citaten. Wellicht speelt hier taboe een rol, hoewel dat voor de keurige omschrijving gemakhuisje onwaarschijnlijk lijkt. Schijten, een Germaans woord dat is afgeleid van het werkwoord (af)scheiden, werd in het verleden waarschijnlijk platter gevonden dan kakken: kak (bekend sinds eind veertiende eeuw) en kakken (voor het eerst in 1514 genoteerd) gaan terug op Latijn cacare 'zijn behoefte doen'. Dit woord komt uit de kindertaal en is waarschijnlijk overgenomen door leerlingen die op school Latijn leerden en het schertsend of eufemistisch in het Nederlands gingen gebruiken. Ook de communicatie met artsen - die veel Latijnse leenwoorden gebruikten als ze met hun patiënten spraken - kan het gebruik van het 'nette' werkwoord kakken hebben bevorderd. Zoals bekend gelden leenwoorden dikwijls als minder direct en vulgair dan eigen Nederlandse woorden, ze worden vaak beschouwd als objectiever en afstandelijker - vandaar dat sommigen de voorkeur geven aan feces in plaats van ontlasting of uitwerpselen, aan attaque in plaats van beroerte, en aan transpireren in plaats van zweten.

In de warme landen waarheen de Nederlanders in de zeventiende eeuw trokken, zetten zij kakhuizen neer: toiletten binnenshuis waren namelijk niet erg hygiënisch. In het Afrikaans wordt kakhuis(ie) nog steeds gebruikt, maar het geldt als platte benaming voor het gewone gemak(s)huisie. De Nederlandse gebouwtjes waren nieuw, en daardoor namen andere talen de Nederlandse benaming ervoor over. Zo noemt men in de Indonesische, Javaanse, Molukse en Soendanese spreektaal een toilet een kakus, en een kakus berjalan is een rijdend toilet, ofwel een toilet op een bus of in een trein. Een informant vertelt:

Ik hoorde kakus gebruiken toen ik tussen 1952 en 1964 werkte op schepen met Indonesische bemanning. We spraken Pasar-Maleis. De bijnaam van een zekere W.C. de Jong luidde toen Kakus de Jong.

Kakus is volgens een andere informant veel te lezen op treinstations op Java voor 'openbaar toilet'. Volgens een Nederlander die met een Molukse vrouw is getrouwd, gebruikt de Molukse gemeenschap in Nederland het woord nog steeds. Maar in het 'nette' Indonesisch, Javaans en Moluks gebruikt men toalet en w.c. (zie hieronder).

Ook in het Singalees, de taal die op Sri Lanka gesproken wordt, noemt men een toilet kakkussiya, kakkusiya, kakusiya - er zijn verschillende spellingen in gebruik. Een Nederlandse bericht:

Ik heb dit woord gehoord toen ik rond 1980 als novice verbleef in een boeddhistisch Theravadaklooster in een spelonkencomplex nabij Kegalle. Het 'kakhoesie' werd met onmiskenbaar Noord-Hollandse tongval uitgesproken. Een klein jochie, Soenil Sante, leerde mij wat Singalese woorden. Toen ik wees naar de wc, een gat in de grond met een bescheiden huisje eromheen, zei hij eerst 'wessekilee' en daarna 'kakhoesie', waarbij hij met een brede grijns aangaf dat het ging om een grof woord. Later kwam ik in Colombo het 'kakhoesie' weer tegen toen ik in een eethuisje naar de wc ('wessekilee') vroeg en meteen keihard 'kakhoesie' te horen kreeg. Ook hoorde ik dit woord in mijn contacten met de allerarmste bevolking, die als contractarbeiders op de rubber- en theeplantages woonden en werkten. Ik deed er onder andere stervensbegeleiding in meestal stikdonkere hutten ergens in de diepe jungle, en dan maar bidden in het Pali voor het zielenheil van de betrokkene. Of het hielp? Ach de mensen waren dik tevreden dat een blanke boeddhistische non voor ze kwam bidden.

Het Singalese kakkussiya wordt dus gebruikt voor een openbaar toilet buiten of in een restaurant. Een toerist die regelmatig in Sri Lanka is geweest, schrijft:

Elke keer stal ik de show door in een restaurant naar het 'kakhusie' te vragen. Ze waren stomverbaasd dat een westerse toerist dat oeroude Singalese woord voor het toilet kende.

Ook in talen die tot de zogenoemde Dravidische taalfamilie behoren, is kakhuis geleend, en wel in het Kannada, gesproken in de provincie Karnataka in Zuid-India, en in het Tamil, ge­spro­ken op Sri Lanka en (als officiële taal) in Sin­gapo­re en in de provin­cie Tamil Nadu in Zuid-India. Het woord kakhuis is geleend in de periode dat de Verenigde Oost-Indische Compagnie kantoren in Zuid-India bezat. In het Tamil luidt het kakkusu, in het Kannada kakkasu of kakkōsu. Ook bij de Engelsen in India was het woord in het begin van de twintigste eeuw bekend.

In het Sranantongo is het woord kakhuis niet geleend, maar men heeft het letterlijk vertaald als kunkun-oso (oso gaat terug op het Engelse house). Daarnaast bestaat de vertaling pkin-oso, letterlijk 'klein huisje'. Bovendien heeft men een ándere Nederlandse benaming voor 'kakhuis' geleend, namelijk gemakhuisje: in het Sranantongo luidt dit kumakoisi.

Ook de Nederlandse benamingen voor een toilet binnenshuis zijn door andere talen overgenomen. Zo kent het Indonesisch de toalet, teruggaand op het Nederlandse toilet (dat zelf, begin twintigste eeuw, ongetwijfeld om eufemistische redenen, is ontleend aan het Frans) en de w.c. (een woord dat in het Nederlands is ontleend aan het Engels, niet als eufemisme maar omdat de wc, voluit watercloset, met zijn waterspoelingsinstallatie een technische vernieuwing vormde). Tot slot gebruikt het Indonesisch de benaming kamar kecil, eigenlijk 'kleine kamer'; dit is een vertaling van het Nederlandse kleinste kamertje.

Het Sranantongo heeft de Nederlandse namen twalèt en weisei overgenomen (gezien de uitspraak zal dit woord aan het Nederlands en niet aan het Engels zijn ontleend), en plei, van Nederlands plee. Dit plee wordt in het Nederlands sinds eind negentiende eeuw gebruikt en is een verbastering van een Franse uitdrukking, hoewel lange tijd onzeker is gebleven van welke. Het WNT schrijft:

Eene naar het schijnt eerst in den loop der 19de E. in gebruik gekomen of meer bekend geworden fatsoenlijke benaming voor: sekreet, privaat, bestekamer, heimelijk gemak. Daarnaast ook pleti. Men verklaart het woord gewoonlijk als fr. plaît en plaît-il, waarmede dan op beleefde wijze naar de 'gelegenheid' zou zijn gevraagd of deze zou zijn aangewezen. Ofschoon de uitspraak plee in overeenstemming is met den vorm dien fr. plaît in onze spreektaal krijgt [...], lijkt deze verklaring toch weinig waarschijnlijk, ook omdat pleti nimmer als pleet-i wordt uitgesproken, maar steeds als plĕtie, met den klemt[oon] op de laatste lettergreep, terwijl het niet duidelijk is waarom men plaît-il op deze wijze zou zijn gaan uitspreken. Ook zijn er geen aanwijzingen voor zulk een gebruik van fr. plaît-il. Daarom schijnt een andere gissing aannemelijker, die het woord in verband brengt met fr. petit (cabinet); verg. mnl. [Middelnederlands] cleine (voor cleine camere), geheim gemak, stille, bestekamer. Alsdan is de l ingevoegd, gelijk in de toonlooze eerste lettergreep van andere vreemde woorden [...], en is pleti eerst afgekort tot ple, met toonlooze ĕ (gelijk men nog somtijds hoort), en is dit ple later tot plee geworden. Is deze verklaring de juiste, dan is het woord, voordat het vrij algemeen werd, vermoedelijk reeds langer hier of daar in gebruik geweest. In geschrifte is het echter eerst sedert het einde der 19de E. gewoon.

Deze verklaring is echter níét de juiste. Inmiddels is namelijk de volgende tekst gevonden in de eerste druk van de Algemeene Kunstwoordentolk van J. Kramers uit 1847, onder de ingang plaisir:

plait-il? (spr. plétie), wat belieft u, wat is er van uwe dienst, wat zegt ge? ook als subst. euphemetisch gebezigd voor secreet, geheim gemak, in de wandeling de platie.

Waarmee dus bewezen is dat plaît-il de bron is geweest van plee. In de vierde druk van Kramers' woordenboek, uit 1885, zijn de laatste woorden uitgebreid tot: 'in de wandeling de plaitie, platie, pletie'. En in de Grote Van Dale van 1898 staat als ingang plee, verkleinwoord pleetje.

In het Papiaments zijn kakushi 'kakhuis, emmer met feces' en tualèt ontleend aan het Nederlands - in het Portugees, dat de basis vormt van het Papiaments, bestaat dit laatste woord niet. Wellicht gaat ook w.c. terug op het Nederlands, maar dit kan ook rechtstreeks aan het Engels zijn ontleend.

Het is duidelijk dat de Nederlanders de hygiënische voorzieningen van het vaderland overgebracht hebben naar de nieuwe landen waar zij zich vestigden. Zie ook pispot.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

mieters [vervloekt, later ook: fijn, uitstekend] (1898). De vierde druk van het woordenboek van Van Dale verschijnt in 1898, onder redactie van H. Kuiper, A. Opprel en P. J. van Malssen. Zij zijn de eersten die in een woordenboek woorden opnemen als balkenbrij, behoefte (‘ontlasting’), besmuikt, bomvol, forens, fröbelen, mieters, plee, de bastaardvloek potver en reet (‘billen’).

plee [wc] (1898). De vierde druk van het woordenboek van Van Dale verschijnt in 1898, onder redactie van H. Kuiper, A. Opprel en P. J. van Malssen. Zij zijn de eersten die in een woordenboek woorden opnemen als balkenbrij, behoefte (‘ontlasting’), besmuikt, bomvol, forens, fröbelen, mieters, plee, de bastaardvloek potver en reet (‘billen’).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plee toilet 1898 [GVD]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut