Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plas - (kuil met water, poel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plas zn. ‘stilstaand water; poel’
Mnl. plasch ‘kuil met water, poel’ [1285; VMNW]; vnnl. eenen plas ofte plassche [1573; Thes.].
Vermoedelijk een klanknabootsend woord, bij het werkwoord plassen < vnnl. plasschen ‘in het water roeren’ [1599; Kil.], oorspr. als imitatie van het geluid van een hand die op het water slaat.
Bij het werkwoord horen: mnd. plasken ‘plassen, klateren’; nfri. plaskje.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plas1* [kuil met water, poel] {plas(ch) [plas, poel] 1285} oudengels plæsc (engels plash); klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plas znw. m., mnl. plas, plasch m., vgl. ook oe. plæsc (ne. plash) ‘plasʼ. Men zal dit woord wel als een jonge afl. van het ww. plassen moeten opvatten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plas znw. Kil. en mnl. plas, plasch m. = ags. plæsc (eng. plash) “plas”. De ndl. vorm op -s zal wel slechts een graphische variant zijn van dien op -sch. Ablautend met poel. Het voorkomen van plæsc in ’t Ags. verbiedt ons in plas een jongere formatie bij plassen te zien.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

plas. Niettegenstaande het voorkomen van een overeenkomstige vorm in het Ags. zou het woord toch eenvoudig van onomat. oorsprong kunnen zijn. Hoe dit ook zij, in ieder geval is het voetstoots aannemen van ablaut met poel een al te forse maatregel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plas m., Mnl. plas(ch) + Ags. plæsc (Eng. plash): afl. met abl. van denz. stam als poel; z. plassen.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

plas
Mnl. plas, plasch 'kuil met water, poel', oe. plæsc (ne. plash) 'plas'. Bij het werkwoord plassen, vermoedelijk een klanknabootsend woord, naar het geluid van een voorwerp dat men op het water slaat.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plas ‘kuil met water, poel’ -> Fries plasse ‘kuil met water, poel’; Deens † plas ‘vlek(je), plek’ (uit Nederlands of Fries); Frans dialect † plache; plasq ‘vijver’; Papiaments plas ‘kuil met water, poel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plas* kuil met water, poel 1285 [CG I2, 1039]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut