Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plantsoen - (openbare tuin)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plantsoen [openbare tuin] {1531 in de betekenis ‘stek, loot’; de betekenis ‘beplant terrein’ 1772} < oudfrans plançon [idem] < middeleeuws latijn ∗planto (2e nv. plantonis), teruggaand op latijn plantare [planten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plantsoen znw. o., mnl. plantsoen ‘stek, pootʼ, Kiliaen plantsoen ‘plantae, plantaria, semina arborumʼ en plantsoenbosch ‘seminarium, plantariumʼ < fra. plançon met de bet. ‘stek, lootʼ < gallo-rom. *plantiōne afl. van planta.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plantsoen znw. o., bij Kil. plantsoen “plantae, plantaria, semina arborum”, plantsoenbosch “seminarium, plantarium”, mnl. plantsoen o. “puntige tak”, anno 1559 = “stek, poot”. Deze bet. heeft fr. plançon (lat. *plantio) nog, waaruit ’t ndl. woord ontleend is. Voor de bet.-ontwikkeling vgl. Poten als straatnaam.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plantsoen o., uit Fr. plançon, van plante.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

plantsoen’ (de, -en), 1. (meestal) plant- en pootgoed. Sommigen vroegen hem ’n paar bananen-plantsoenen, andere vroegen hem kassavestekken, andere vroegen hem tajerknollen, maar nooit wilde hij hen helpen (de Groot & D. 21). - 2. (soms) zaad. - Etym.: In AN (met lidw. ’het’), in de bet. van ’stek’, veroud.; in de bosbouw nog gebr. in de bet. van ’plantgoed van bomen en struiken’. Overigens in AN syn. van ’park’. Wellicht is de bet. in SN vroeger geweest ’nageslacht van planten en dieren i.h.a.’. Zie maraiplantsoen*. Cairo (1979b: 21) gebruikt ook ’kinderplantsoen’. S pransoen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

plantsoen (Frans plançon)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plantsoen ‘openbare tuin; jonge bomen en heesters, gekweekt voor aanplant’ -> Fries plantsoen ‘openbare tuin; jonge bomen en heesters, gekweekt voor aanplant’; Duits dialect Plansche, Plantsche ‘stekje, takje, dikke tak’; Negerhollands plantsūn ‘jonge aanplant’; Berbice-Nederlands plantsun ‘openbare tuin’; Papiaments plantsun ‘openbare tuin’; Sranantongo pransun (ouder: plansoen) ‘openbare tuin; plant’; Surinaams-Javaans plangsu ‘plantgoed, pootgoed, zaad’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plantsoen openbare tuin 1773 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut