Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plant - (gewas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plant zn. ‘gewas’
Mnl. plante ‘plant’ [1240; Bern.], des persekers plante ‘het gewas van de perzik’ [1287; VMNW], waarbi dat een dier edelre is dan enich plant of boom ‘waarom een dier beter is dan enige plant of boom’ [1350-1400; MNW]; vnnl. plante ‘plant, kruid, stekje’ [1573; Thes.], ‘uitspruitsel’ in bomen die planten schieten [1573; Thes.]; nnl. plant ‘pas geplant gewas; stekje om te planten; klein gewas’ [1688; WNT]; nnl. ‘alles wat in de aarde groeit, ook bomen, paddestoelen e.d.’ [1778; WNT].
Ontleend aan Latijn planta ‘stekje om te planten; loot’ afgeleid van plantāre ‘(be)planten, poten, stekken’, zie → plan.
Het Latijnse woord betekende ook ‘voetzool’. Deze betekenis wordt ook wel in het Nederlands aangetroffen, maar altijd in combinatie met het woord voet zelf: mnl. in die planten van den voeten ‘in de voetzolen’ [1351; MNW-P], vnnl. onder de planten van haerlieder voeten ‘onder de zolen van hun voeten’ [1659; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plant1 [gewas] {plante 1201-1250} middelnederduits, oudengels plante, oudhoogduits pflanza < latijn planta [ent, stekje, plant].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plant znw. v., mnl. plante v., mnd. plante (> on. planta), ohd. pflanza (nhd. pflanze), oe. plante (ne. plant). Het optreden der nhd. klankverschuiving bewijst, dat het woord reeds vóór 600 uit het lat. planta ‘stek, uitspruitselʼ overgenomen is; gevormd bij het ww. plantāre ‘de grond om de stek vasttrappenʼ, afgeleid van planta ‘voetzoolʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plant znw., mnl. plante v. = ohd. pflanza (nhd. pflanze), mnd. plante, ags. plant(e) (eng. plant), laat-on. planta v. “plant”. Uit lat.-rom. planta “id.”. Wellicht tegelijk met perzik e.a. plantnamen ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plant v., Mnl. plante, gelijk Hgd. pflanze, Eng. plant, Fr. plante, uit Lat. plantam (-a).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

plant (Latijn planta)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Plant is het Fr. plante, ’t Lat. planta. Plantsoen is ’t Fr. plançon.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plant ‘gewas’ -> Deens plante ‘gewas’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors plante ‘gewas’; Negerhollands plan, plant ‘gewas’; Papiaments planchi (ouder: plantji) ‘gewas’ (uit Nederlands of Spaans); Sranantongo prani ‘gewas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plant gewas 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut