Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plankier - (bevloering met planken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plankier zn. ‘bevloering met planken’
Mnl. plankier ‘plankenvloer, houten bouwsel’ in achterwaert streckende tot an tplankier [1428; Debrabandere 1988]; vnnl. planckier ‘plankenvloer, zoldering’ [1599; Kil.]; nnl. plankier (Vlaams) ‘stoep, trottoir’ [1865-70; Schuermans].
Ontleend aan Picardisch planquier, plankier ‘plankenvloer’ (Oudfrans planchier, Frans plancher), afleiding met het Picardische achtervoegsel -ier, zie → -ier, van Picardisch planque, planke ‘plank’ (Frans planche), zie → plank.
In Zuid-Nederlandse dialecten komt plancher nog steeds voor.
Lit.: F. Debrabandere (1988), ‘Plankier en plankijs’, in: Taal en Tongval 40, 173-176

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plankier [bevloering van planken] {planckier 1574} < oudfrans planchier (de vorm plankier is uit het picardisch overgenomen ofwel o.i.v. plank ontstaan, vgl. plansier) < middeleeuws latijn plancherium [plankier, etage, palissade], van planca (vgl. plank1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plankier znw. o. ‘bekleding of bevloering met plankenʼ is ontstaan uit ofra. planchier < vulg. lat. *plancārium en in de franse vorm overgenomen als ouder-nnl. plantsier, plansier ‘deel van een kroonlijst; getimmerte op de galerij van een schipʼ. De huidige vorm zal wel aangepast zijn aan plank of stamt uit het pikardisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plankier znw. o., sedert het Oudnnl. Misschien ook uit ’t Pic. Ook kan men ontl. van plankier uit ofr. planchier (fr. plancher) aannemen; dan is de k naar plank gesubstitueerd voor ch. Ten slotte zouden we in ndl. plankier een afleiding van ’t mnl. ww. plankieren (ghe-plankiert “met planken beslagen”) kunnen zien, dat wel niet omgekeerd van plankier zal komen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

plankier. Op ofr. planchier berust plan(t)sier ‘deel van de kroonlijst’ ouder-nnl. ook ‘getimmerte boven op de galerij van een schip’. Het is mogelijk, dat dit de oudste en aanvankelijk enige vorm is geweest, die in deze speciale bett. is blijven voortbestaan, terwijl plankier in bet. en vorm zich bij plank is gaan aansluiten. Maar ook onafh. ontl. van de k- en de ts-vorm uit verschillende fr. diall. is denkbaar.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plankier o., uit Pic. planquer, Fr. plancher, afgel. van planche: z. plank.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plankier bevloering van planken 1574 [Toll.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut