Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plank - (plat stuk hout)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plank zn.‘langwerpig, plat stuk hout’
Onl. planka in het toponiem de Plancis (gelatiniseerd) ‘Ter Planken (West-Vlaanderen)’ [1188; Gysseling 1960]; mnl. planke ‘plank’, eerst in Latijnse context in cum assere qui vulgo nominatur planke ‘met latten die men gewoonlijk plank noemt’ [1233; Stall. III], dan in men soude heme den hals ave saghen met enre planken ‘men zou hem de hals afzagen met een stuk hout’ [1275-76; VMNW], met ceder plancken ghedect omtrent ‘rondom met cederhouten planken bedekt’ [1285; CG II].
Ontleend aan Picardisch planke, hetzelfde woord als Frans planche ‘id.’ [ca. 1155; Rey], ontwikkeld uit Laatlatijn planca ‘id.’. De herkomst van dit Latijnse woord is onzeker. Het is wellicht een gesyncopeerde vorm, onder invloed van klassiek Latijn planus ‘vlak’, van *palanca ‘rol, houten wals’, dat dan ontleend is aan Grieks phálanx ‘rol, wals’, zie → falanx. Een andere mogelijkheid is zelfstandig gebruik van de vrouwelijke vorm van het bn. Latijn plancus ‘platvoetig’, dat verwant is met Grieks platús ‘plat, vlak’, zie → plat 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plank1 [plat stuk hout] {planke, planc 1284} < picardisch planke (oudfrans planche) [idem] < latijn planca [idem] < grieks phalanx [balk, wals om lasten op te verrollen, slagorde] (vgl. palank).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plank znw. v., mnl. planke v., planc m., mnd. planke v., mhd. blanke (nhd. planke) ‘plank, omheining van plankenʼ, ofri. planke, plonke ‘plankʼ (het laat-on. planka is uit mnd. overgenomen) < pikard. planke = fra. planche < lat. planca, dat men wegens de bijvorm palanca < gr. phalanx ‘rol, walsʼ afleidt (Th. Frings, Germ. Rom. 1932, 183).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plank znw., mnl. planke v., planc m. = mhd. blanke, md. ook planke (nhd. planke), mnd. planke v. “plank, omheining of versterking van planken”, ofri. planke, plonke v. “plank”, laat-on. (uit ’t Ndd.) planka v. “plank”. Uit laat-lat. resp. rom. planca “plank” (> fr. planche, prov. planca “plank”, piemonteesch pianca “vonder”, pic. planke “houten brug”). Eng. plank “plank” uit het Noordfr. Hieruit kan ook ’t ndl. plank komen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plank v., gelijk Hgd. planke, Eng. plank, uit Pic. planque, Fr. planche, van Lat. plancam (-a), van denz. wortel als planus = vlak (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

plaank (zn.) plank; Aajdnederlands planka <1188>.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

plank: (meestal voorafgegaan door mager) broodmager persoon; vrouw met weinig borstwelving.

Dat onze immer voortdurende slankheidsmanie je reinste dwangbuis is, kun je moeilijk ontkennen. Gelukkig zijn er betere tijden op komst, wat nadelig kan zijn voor vrouwen van het type Jans Pommerans uit Nieuwe Schans (‘o, wat een plank van een meid is dat’). (Trouw, 26/09/1997)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

plank (Picardisch planke)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plank ‘plat stuk hout’ ->? Duits Planke ‘plat stuk hout, scheepsplank’; Deens planke ‘plat stuk hout’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors planke ‘plat stuk hout’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds planka ‘plat stuk hout’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins (p)lankku ‘plat stuk hout’ ; Ests plank ‘plat stuk hout’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools planka ‘plat stuk hout; uithangbord’ (uit Nederlands of Duits); Russisch plánka ‘plat stuk hout’; Noord-Sotho polanka ‘plat stuk hout’ ; Xhosa planga ‘plat stuk hout’ ; Zoeloe pulangwe ‘plat stuk hout’ ; Zuid-Sotho polanka ‘plat stuk hout’ ; Indonesisch pelang, plang ‘plat stuk hout; uithangbord’; Balinees pelang ‘plat stuk hout’; Jakartaans-Maleis plang ‘rustbank’; Javaans plang ‘plat stuk hout; uithangbord, naambord’; Negerhollands plank, plan ‘plat stuk hout’; Berbice-Nederlands plangga ‘plat stuk hout’; Papiaments planki ‘rek, stelling, schap’; Sranantongo planga (ouder: pranga) ‘plat stuk hout’; Akawaio en Arekuna paranga, paranka ‘plat stuk hout’ ; Arowaks planka ‘plat stuk hout’ ; Karaïbisch paranga, palanka ‘plat stuk hout’ ; Sarnami palangá ‘plat stuk hout’; Surinaams-Javaans plang, plangah ‘plat stuk hout, van planken gemaakt’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plank plat stuk hout 1284 [CG I2, 780] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

146. Den bal misslaan.

Aan het kaatsen, kolven of klossen ontleend (zie Ter Gouw, De Volksvermaken, 335), en vandaar in fig. zin missen, bezijden de waarheid zijn, niet het goede inzicht hebben; synoniem van de plank misslaan. De uitdrukking komt sedert de 17de eeuw voor (zie het Ndl. Wdb. II, 901 en vgl. Gew. Weuw. I, 55) en staat eveneens opgeteekend bij Tuinman I, 267: ‘Hy slaat den bal mis, dat is, hij treft de zaak niet: gelijk onbedreven kolvers die den bal niet raken’; V. Janus II, 24. Ook in Zuid-Nederland is zij bekend (zie Joos, 95), waar men ook zegt de kaatse falen, zijn oogwit missen (Schuermans, 213), en natuurlijk in het Friesch: de bal misslaen.

Het tegengestelde luidde: den bal wèl hebben, dat men vindt bij Sartorius IV, 67, die ‘rectam instas viam’ vertaalt door ghy hebt die bal wel, dat te vergelijken is met V. Janus III, 147: den bal juist treffen.

973. Van dik hout zaagt men planken,

d.w.z. wie het breed heeft, laat het breed hangen; het gaat er van dik hout zaagt men planken, van den hoogen boom af, alsof 't geen geld kost; op flinke wijze, in toepassing op iemand die slaag krijgt. Vgl. Spaan, 43: De gelieven speelden ondertussen van dik hout zaagt men planken, mooy weer; bl. 151: Een paar Meiden, die met zommige Knegts van dik hout zaagt men planken, mooi weêr gespeeld hadden; Langendijk, Don Quichot, bl. 31 (Pantheon):

'Et heughtme nog van flus, dat van dikhout zaegtme planken.

Jan. v. Gysen, Ged. I, 134:

Die liet haar met een Gard, door Meester Hans, de Beul,
Op 't schurfde pokkig vel, van dikhout planken zaagen.

Zie ook Van Zeggelen I, 67; Harreb. I, 336 b; Ndl. Wdb. VI, 1174; Nkr. II, 15 Nov. p. 2: Ik rekende er op dat Mr. Treub het ‘van dik hout zaagt men planken’ in praktijk zou brengen en verwachtte de - nu wel zeer afgezaagde - tirades over willekeur, despotisme, vrijheid van het woord, enz.; Nkr. V, 18 Nov. p. 6: Daar trok de dominee van leer: ‘van dik hout zaagt men planken’; II, 28 Mrt. p. 2. Met weglating van ‘zaagt men planken’ in Sjof. 216: Hij liep weken leeg, dan maakte zijn moeder 's avonds zijn vader den kop warm, en kreeg-t-ie van dik hout op z'n mieter. - Daar men veel planken van dik hout, een dikken boom, kan zagen, (hd. Starke Bäume geben starke Balken), krijgt de zegswijze ‘van dik hout planken zagen’ de bet. van: iets royaal, in ruime mate, flink doen (zie V. Eijk, III, 46: Van dik hout zaagt men planken, met hetgeen deugdelijk is kan men wat uitvoeren, en dit toegepast op slagen: een flink pak slaag toedienen); vgl. van raakum, van patsum, van klinkum, van heb ik jou daar, van komsa, fr. comme ça (Molema, 217), van wat of waar benjeme, van je welste, van lik me vessie, iet van lekt-mij-lipken (Antw. Idiot. 755), een kleermaker van kust me' gat (Antw. Idiot. 447), 't is er een van pak-aan, hij slaat de hand flink aan het werk; het Westvl. van kamer buiten krijgen, niet ingelaten worden (De Bo, 486 a); zie no. 202 noot.

1837. Van de bovenste plank,

van de beste soort (zie no. 318). Vgl. Zondagsbl. v. Het Volk, 1905, p. 91: Fatsoenlijke burgerij, de autoriteiten, de notabelen, kortom alles wat in de sociale broodkast op de bovenste plank ligt; Jong. 218: 't Zat er aan bij die lui en alles was van de bovenste plank; ze keken niet op geld; De Arbeid, 17 Jan. 1914, p. 3 k. 4: Wij zijn in Amsterdam begiftigd met een woningspecialiteit van de bovenste plank; Gemeenteblad v. Amsterdam 1914 II, 1662: Omdat mij zoo maar in eens een voorbeeld van de bovenste plank voor oogen wordt gehouden; Het Volk, 14 Oct. 1913, p. 5 k. 4: De heer Gerretson, een oranjeman van de bovenste plank; 15 Febr. 1915, p. 1 k. 2: Het was een veroveringsoorlog van de bovenste plank; De Arbeid, 21 Nov. 1914, p. 4 k. 4: Nu wil Troelstra probeeren deze menschen (de Duitschers) te doen doorgaan als kultuurmenschen van de bovenste plank; Handelsblad, 2 Oct. 1914 (ochtendbl.), p. 2 k. 5: Een apart tooneeltje krijgt ‘het elastieke trio’, acrobaten van de bovenste plank. Harreb. II, 187 citeert: Dit is van het bovenste plankje, men zegt dit bij 't gebruiken van triviale uitdrukkingen; syn. van het gaat van het bovenste bordje, het gaat er flink op los, in toepassing op gekijf en ruzie. Vgl. het Zuidndl. Hij leet er in de bovenste schuif of de bovenste schof (lade), hij is er 't troetelkind, hij heeft er meer te zeggen dan de eerste de beste; in A. Jodenh. 48: Die goosen was zoo betoeg (rijk) as 't water diep is, uwes weet wel, zoo'n echte ouwe spanjool, 'n sjprankel-kiejaai van de bovenste trap; Kunstl. II, 284: Ikke bin d'r nou eenmaal een van 't bofenste bussie!

1838. De plank misslaan (miszijn of mishebben),

d.w.z. zich vergissen, het mishebben, niet het goede inzicht hebben; den bal misslaan. In de 18de eeuw treffen we deze uitdr. aan in het Boere-krakeel, 164: En daerom slaeje de Plank niet iens zoo mis. Verder komt zij voor bij Harreb. III, LIII; B.B. 387: Ze zegt dat dokter nu de plank heelemaal misslaat; Nkr. II, 25 Dec. p. 2: Ik geloof dat zij in dit opzicht den plank misslaat; Het Volk, 19 Sept. 1913, p. 2 k. 3; 7 Maart 1914, p. 7 k. 3; Nw. School II, 215: Zoo dat toch de slottirade den spijker heelemaal niet op den kop zou hebben getikt - eerder de heele plank misgeslagen zou hebben. Het is niet onmogelijk, dat deze uitdr. ontstaan is door de samensmelting van twee andere: den bal misslaan en de plank mis zijn (C. Wildsch. III, 273: Zoo je denkt dat ik gelukkig ben, dan ben je de plank geheel mis; V. Janus, 364; Nw. Taalgids VIII, 278), welke laatste uitdr. misschien aan het kegelspel ontleend is; zie Ten Doornk. Koolm. II, 724 b: dat was de plank mis (beim Kegelschieben, statt pudeln), maar ook W. Dijkstra, 382 b: hy is de planke mis, hij is de loopplank mis geloopen, hij is er naast gestapt; hij dwaalt, of schiet een bok, welke verklaring m.i. de waarschijnlijkste isVgl. Navorscher IV, 298; Ndl. Wdb. IX, 800.; vgl. Het Volk, 16 Maart 1914, p. 1 k. 2: Hier beletten zijn ervaringen als partijleider en Kamerlid hem niet de plank glad bezijden te loopen. Door de gedachte aan het mishebben ontstaat weder de plank mishebben, dat voorkomt in Slop, 98: Als je denkt daarmee vrij te komen, heb je de plank mis; Volksk. XXII, 82: Maar als je denkt, uilen, dat het voor mijn vermaaklijkheid is, dan hebje, verdoeme! de plank heel ver mis. Zie no. 146.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut