Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plag - (afgestoken stuk gras- of heidegrond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plag zn. ‘afgestoken stuk gras- of heidegrond’
Mnl. plagge ‘plag’ in plaggen te weyden opter ghemeenten ‘plaggen te steken op de gemeenschappelijke gronden’ [1442; MNW rusch I], daarnaast al eerder Zuidoost-Limburgs vlagge ‘plag’ in Soo en sal niemant mogen steecken eenige groes of vlaggen tot huysen ofte hutten ‘Zo zal niemand ook maar enige gras- of heideplaggen mogen steken voor huizen of hutten’ [eind 14e eeuw; MNW vlagge II].
Betekenisuitbreiding van mnl. plagge ‘lomp, lap stof’ zoals in dee oor wt toogen armelike plaggen ‘die haar armzalige lompen uittrokken’ [ca. 1470; MNW]. Iets eerder geattesteerd is mnl. plagghe ‘bepaald muntstuk’ [1377; MNW], een nevenvorm van placke, zie → plak 1, maar het is zeer twijfelachtig of dit hetzelfde woord is.
Mnd. plagge ‘lomp, lap; plag’. On. plagg ‘kledingstuk’ (nzw. plagg) is laat geattesteerd en mogelijk aan het mnd. ontleend.
De verdere herkomst is onbekend. De vorm vlagge (zie boven) uit Zuidoost-Limburg komt ook algemener voor als Brabants en Limburgs vlag ‘plag’ (Weijnen 2003), IJslands flaga ‘graszoden steken’, flag ‘land waarvan de zodenlaag weggenomen is’. Met iets verder verwijderde betekenis kan hierbij ook pgm. *flahan- ‘de huid afstropen, villen’ horen: mnl. vlaen; oe. flēan (ne. flay); on. flá (nzw. flå). Kuhn (1961: 7) veronderstelt voor het uitsluitend Nederduitse en Nederlandse plagge een ontlening aan een onbekende voor-Germaanse, maar eventueel wel Indo-Europese substraattaal waarin de p geen Germaanse klankverschuiving heeft ondergaan. Verwant is dan wellicht Litouws plė́šti ‘afscheuren’, bij de wortel pie. *pl(e)h1ḱ- (LIV 483).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plag*, plagge [zode] {plagge [lap (stof), (heide)plag, muntstuk (plak)] 1377} middelnederduits plagge [lomp, plag], oudnoors plagg [kledingstuk] (vgl. plak2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plag, plagge znw. v., mnl. plagghe v. ‘lap, lomp, plag (ook muntstuk)ʼ, mnd. plagge v. ‘lap, lomp, plagʼ, on. plagg o. ‘kledingstukʼ.

Men heeft het noorse woord wel als ontlening uit het mnd. beschouwd (waartoe het verschil in bet. weinig aanleiding geeft). De geminatie -gg- duidt overigens vaak waardeloze dingen aan. — Jóhannesson Med. gem. 48 verbindt met de germ. wt. *pleg ‘slaanʼ, waartoe hij ook ploeg rekent. — Anders Jōhansson KZ 36, 1900, 386 die herinnert aan nzw. dial. plagg, nde. dial. plag ‘eenjarig veulenʼ en abl. nnoorw. nzw. plugg ‘stift, pin, spijkerʼ, waarvoor zie verder: plug. Dan komt men tot de grondbet. ‘iets wat samengebald isʼ. — Indogerm. verwanten zijn niet aan te wijzen, want die met oi. bila-m ‘gat, openingʼ en oiers belach ‘kloofʼ (zo Jóhannesson Et. Wb. 585-6) is zeker onjuist. — Interessant is de poging van H. Kuhn ZfdMaf 28, 1961, 7, die het woord met onverschoven cons. wil afleiden uit een onbekende idg. substraattaal en daarom aanknoopt bij idg. *plek ‘afscheurenʼ; met verschoven labiaal staat er dan naast nijsl. flaga ‘de graslaag wegnemenʼ, flag ‘land, waarvan de zodenlaag weggenomen isʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plag, plagge znw., mnl. plagghe v. “lap, lomp, plag”, ook de naam van een muntstuk. = mnd. plagge v. “lap, lomp, plag”, on. plagg o. “kleedingstuk”, zw. plagg “slaag”. Voor de bett. vgl. plak. Zeker hooren plag en plak op een of andere manier samen; vgl. pletten. Van de basis belā̆xq- [of delā̆xgh-?] “slaan” zijn ten onrechte nog afgeleid ndd. plegel, zwa. pflegel “vlegel” (zie vlegel).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plag v., + Ndd. plagge, flagge: verwant met plaḱ.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plag ‘graszode; (verouderd) lap, doek, vod’ -> Zweeds plagg ‘kledingstuk’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plag* zode 1377 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut