Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plaat - (plat stuk hard materiaal; afbeelding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plaat zn. ‘plat stuk hard materiaal; afbeelding’
Mnl. plate ‘dikke, brede plank van hout of van ander materiaal’ in ene plate ghesleghen tote jnde medewarde van der hauene ‘een plaat (beschoeiing) geslagen tot in het midden van de haven’ [1280; VMNW], van tueen platen daer men die bande of makede ‘van twee platen waarvan men de boeien maakte’ [1286; VMNW], ‘onderdeel van een harnas’ in worpen wech metter vaert helme, platen ende scilde ‘wierpen snel hun helmen, platen en schilden weg’ [ca. 1384; MNW]; vnnl. dye vrieske plaet ‘de Friese zandbank’ [1540; Van der Meulen 1955b], ‘gegraveerd of geëtst, meestal koperen, plat stuk metaal; afdruk van zo'n plaat’ in Het maecken ende steken in coopere plaete [1619; WNT] en [een boek] verciert met Copere Plaeten [1623; WNT]; nnl. grammophoonplaat [1910; Wolters NE].
Ontleend aan Oudfrans plate ‘plaat van metaal’ [1170; TLF], ‘dunne, ijzeren plaat (voor een harnas)’ [1260; Rey], gesubstantiveerde vrouwelijke vorm van het bn. plat ‘vlak’, zie → plat 1.
Afbeeldingen in drukwerk werden aanvankelijk gemaakt m.b.v. een koperen plaat waarin het negatief van de afbeelding was gegraveerd. Overdrachtelijk werden vervolgens ook de op die manier gemaakte afbeeldingen plaat genoemd. Bij uitbreiding heet elke grote en/of bladvullende gedrukte afbeelding plaat. Bij kleinere afbeeldingen tussen de tekst spreekt men tegenwoordig van een plaatje.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plaat [plat stuk, prent] {plate [plat stuk] 1280} < oudfrans plate < vulgair latijn ∗plattus < grieks platus [plat, breed]. In de uitdrukking de plaat poetsen [aan de haal gaan] is eig. bedoeld ‘de kurasplaat poetsen’, als excuus om ervandoor te gaan, vgl. de piek schuren (vgl. piek2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plaat znw. v., mnl. plăte (korte a wegens dial., zoals achterh. plate) ‘plat hard voorwerp, plat stuk metaal, borstharnas, dikke balk, houten muurʼ evenals mnd. plāte ‘plat stuk metaal, borstharnas, zandplaatʼ, mhd. plate, blate v. ‘borstharnasʼ (nhd. platte), ne. plate ‘plaat, bordʼ < fra. plate ‘plaat, plat voorwerpʼ (ofra. ook ‘borstharnasʼ) een afl. van plat, waarvoor zie: plat. — Zie ook: plaai.

In de bet. ‘zandbankʼ overgenomen > nnd. plate (Bremen 1768) en dan > nhd. plate (Kluge, Seemannssprache 618).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plaat znw., mnl. plāte (ā blijkens Tongerensch plṑt, achterh. plate) v. “plat hard voorwerp, plat stuk metaal, borstharnas, dikke balk, houten muur”. = mhd.-md. blate, plate v. borstharnas” (nhd. platte), mnd. plāte (westf. plāte) v. “plat stuk metaal, borstharnas, zandplaat”, eng. plate “plaat, bord”. Uit ’t Mnd. laat-on. plā̆ta v. “vlakke oppervlakte, borstharnas”. Uit fr. plate “plaat, plat voorwerp” (van ’t bnw. plat; zie plat). Ohd. blatta, Teuth., oostmnl., mnd., ofri. platte v. “tonsuur” uit mlat. platta “id.”, evenzoo direct uit ’t Lat. ohd. platta v. “marmeren plaat”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plaat 1 v. (plat stuk, teekening op een metalen plaat, enz.), gelijk Eng. plate, uit Ofra. plate, van Mlat. platam (-a), zelfst. gebr. vr. van platus = plat (z.d.w.). In de plaat poetsen is plaat de borstplaat, het borstharnas.

plaat 2 v. (visch), overdracht van plaat 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

plaat: platen (mv.), (ook.) grote voeten. - Etym.: Is het een vergelijking met een broodplaat (d.i. een bakplaat voor brood)?: Je had zijn voeten moeten zien, Nohar. Net broodplaten (Vianen 1971: 128). Zie ook Cairo (1977: 145): Zichtbaar door die open handschoenen, die platvoeten, met welke ze door de een of andere buurt, komend van mevrouw, had lopen ploeteren. ’Broodvoeten’, noemde het tweetal dat soort lichaamsongemak.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

plaatje (een -- schieten) (vert. van Engels to shoot a picture)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Plaat (plat vlak; ook teekening), ’t Lat. plata en dit van platus = plat, vlak.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plaat ‘plat stuk; naamplaat; grammofoonplaat’ -> Deens plade ‘plat stuk, LP’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors plate ‘plat stuk’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch plátan ‘zeilmakersplaat’; Indonesisch plat ‘grammofoonplaat; zinken beplating; naamplaat, deurplaatje; plat stuk; kentekenplaat; ijzeren plaat’; Gimán palat ‘balk die over de muur van een huis wordt gelegd’; Jakartaans-Maleis pelat ‘grammofoonplaat, dunne ijzeren plaat’; Javaans plat ‘plaat, nummerbord; naambord; grammofoonplaat’; Madoerees dialect plat, ēpplat ‘plat stuk’; Madoerees pēllat ‘ijzeren plaat, grammofoonplaat’; Makassaars palấ ‘plaat van ijzer of zink, kartonnen kaart’; Menadonees plat ‘plat stuk’; Minangkabaus pelat ‘plat stuk’; Soendanees pĕlat ‘wijzerplaat’; Papiaments plachi ‘plat stuk van hout, karton, of ijzer; plaatje’; Sranantongo plât ‘grammofoonplaat’; Surinaams-Javaans pelat ‘grammofoonplaat, ijzeren plaat, nummerplaat’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plaat plat stuk 1280 [CG I1, 527] <Frans

plaat prent 1623 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1832. Op een gloeiende plaat vallen,

eig. als een druppel water op een gloeiende plaat vallen (Harreb. I, 158), ook dat valt op een gloeienden of heeten steenVgl. Harreb. I, 360: Het valt op een' heeten steen (of op gloeiend ijzer); Brederoo II, 97 vs. 2390: Ick salder ten minsten een kinnetje of ses vaantjes inschieten. Ick heb brangt in myn keel, en een gloeyende steen in myn borst.... ik heb so onnatuurlycken dorst!, d.w.z. er is groot gebrek of behoefte aan; eig. gebezigd van een verkwikkenden dronk, doch meestal van geld, hetwelk men ontvangt op een oogenblik, dat men er juist zeer om verlegen is, en dat spoedig weer op is. Vgl. Tuinman I, 116: Haast ziet men den bodem van eene haalkan, byzonderlyk, wanneer de drinker een vonk, of exteroog, in de keel, en grooten dorst heeft, zo dat het valt als op een heeten steen; zie ook bl. 122; Nkr. IX, 6 Maart p. 6: We hadden het zoo bitter, bitter noodig. Wat een mooie mantelpakken stuurde je niet! Wat een flinken regenmantel! Och, 't viel altijd op een gloeiende plaat.

1833. De plaat poetsen,

d.w.z. deserteeren, er vandoor gaan, weggaan, 'm smeren, 'm poetsenSlop, 233; V.v.d.D. 133; Rutten, 178: Poets hem maar, trek er maar van door; wegpoetsen, het hazenpad kiezen.. Ook in Zuid-Nederland is de uitdrukking de plaat (plate) poetsen naast de plaat schuren blijkens Loquela, 108; Antw. Idiot. 971; De Bo, 864 b; Schuermans, 484 b; 495 a; Claes, 186; Waasch Idiot. 522 (de dief is de plaat gepoetst) bekend, evenalsin sommige streken van Duitschland, waar gezegd wordt: die Platte putzen (Grimm VII, 1908; Dirksen II, 64); (die) Platte butzen (anno 1812; Kluge, Rotw. 304). Zie Harreb. II, 186; Schoolm. 30: Pak jij kameraad maar spoedig je biezen en poets me de plaat; bl. 159; 255; Landl. 108; Lvl. 44; M.z.A. 143; Prikk. II, 16: De radium-dief sloeg den weerloozen mannen den hoed over de oogen, toen poetste hij de plaat; De Tijd, 27 Maart 1914, p. 5 k. 1; Kippeveer II, 92; 133; enz. De eig. beteekenis is: de borstplaat of de kolfplaat gaan poetsen; dit als voorwendsel opgeven om zich te kunnen verwijderen en dan niet terugkeeren; vgl. hij is pompstokkenEen pompstok dient om den loop van het geweer schoon te maken. snijden, hij is gedeserteerd; zie no. 1810 en vgl. Om zeep gaan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut