Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plaag - (ramp, onheil, iets onaangenaams)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

plaag zn. ‘ramp, onheil, iets onaangenaams’
Mnl. plage ‘ramp, door God gezonden onheil, kwelling’ [1240; Bern.], God sal up di doen risen plaghen ‘God zal onheil over u doen komen’ [1285; CG II], ook ‘door een ander toegebrachte ellende of krenking’ in plaghe. Van bedrieghers ... Ende van meneghen wikelare ‘ellende, veroorzaakt door bedriegers en door vele waarzeggers’ [1285; VMNW]; vnnl. plage, plaeg ‘iets onaangenaams’ in Laet-dunckentheyt is een plage voor de jonckheyt [1635; iWNT].
Ontleend aan Laatlatijn plaga ‘pest, dodelijke epidemie’, betekenisuitbreiding van Latijn plāga ‘slag, stoot; ongeluk, verlies’.
Latijn plāga is misschien ontleend aan Dorisch-Grieks plāgá ‘slag, wond’, naast Attisch-Grieks plēgḗ, een afleiding van plḗssein ‘slaan, stoten’. Mogelijk, en vanwege de vroege attestatie waarschijnlijker, is plāga een Latijnse afleiding van de wortel van plangere ‘slaan’. Beide woorden gaan terug op de wortel pie. *pleh2g- (LIV 484) en zijn verwant met → vloeken.
De betekenis van het Latijnse woord verschoof in het christelijk Latijn naar ‘door God gezonden straffen, ziekten e.d.’. Vooral in de middeleeuwen werd in rampen en epidemieën Gods straffende hand gezien, met name in de pest. Na de middeleeuwen verzwakte de betekenis grotendeels tot ‘iets onaangenaams’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plaag [onheil] {plage [wond, onheil, kwelling] 1201-1250} middelnederduits plage, oudhoogduits plaga < latijn plaga [slag, klap, wond, pest] < grieks plègè [slag, houw, nederlaag]; vgl. engels plague.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plaag znw. v., mnl. plâghe v. ‘verwonding, slachting, onheil, goddelijke straf, kwelling, onheilʼ, mnd. plāge ‘door God gezonden plaag, nederlaagʼ (> laat-on. plāga), ohd. plāga ‘hemelse strafʼ. Het woord is een christelijke term, die op lat. plāga ‘slagʼ (naast plango ‘slaan, op de borst slaan, luid treurenʼ, waarvoor zie verder: vloeken), waaruit ook fra. plaie ‘wondeʼ. — Zie ook: plagen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plaag znw., mnl. plâghe v. “verwonding, slachting, onheil, straf van God, kwelling, schade, onheil, plaag”. = ohd. plâga v. “hemelsche straf” (nhd. plage), mnd. plâge v. “plaag, vooral een door God gezondene, nederlaag”; hieruit laat-on. plâga v. “plaag, lijden”. Ontl. uit lat. plâga “slag, wond” (fr. plaie); in de bet. “straf van God” en de daaruit ontstane bett. door middel van de kerktaal ontleend evenals pijn. Eng. plague “pest, plaag” uit ofr. plague.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

plaag. Adde: ofri. plâge v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plaag v., gelijk Hgd. plage, Eng. plaque, Fr. plaie, uit Lat. plagam (-a) = slag, stoot + Gr. plēgḗ. De bet. kastijding, onheil, berust op het bijbelsch taalgebruik, vooral bij de 10 plagen van Egypte.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

plaag s.nw.
1. Straf deur God gestuur. 2. Onheil, ramp. 3. Voortdurende ergernis, hindernis.
Uit Ndl. plaag (al Mnl.).
D. Plage, Eng. plague.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

plaag (Latijn plaga)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Plaag, door God gezonden onheil, ramp e.d. als straf.

De bekendste in de bijbel beschreven plagen -- door God als straf uitgedeelde (natuur)rampen -- zijn de tien plagen van Egypte (zie aldaar), maar ook in het bijbelboek Openbaring komen er heel wat voor. Zie bijvoorbeeld Openbaring 16:9, 'De grote hitte verzengde de mensen en ze lasterden de naam van God, die macht heeft over deze plagen. Ze toonden geen berouw en bewezen hem geen eer' (NBV).

Liesveldtbijbel (1526), Openbaring 16:9. Ende den menscen wert heet van groter hitten, ende lasterden den naem gods, dye macht heeft ouer dese plagen, ende en deden geen boete om hem den prijs te geuen.
Heel het Kempenland lag toegedekt met een meterdikke deken van pure sneeuw en er scheen geen eind te komen aan de plagen, die 's Lieveneer met gulle hand over zijn armste kostgangers uitstrooide. (A. van der Lugt, De Claere Waerheit, 1992, p. 7)
[...] en zo vindt over een jaar of tien de hele dierenwereld en mensheid een gewisse dood. 'Dat is de laatste plaag uit de Openbaringen,' zegt mijn vader, 'daar komt geen bom of soldaat meer aan te pas, Gods molens draaien langzaam maar zeker...' (J.M.A. Biesheuvel, Zeeverhalen, 1985, p. 62)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

plaag. Het Middelnederlandse plage betekende ‘pest, lues’. Het woord kwam tevens voor in verbindingen als sinte jans plage ‘vallende ziekte’. Bij Hooft komt voor de plaegh op uw hals! ‘krijg de pest’. Weijnen (1995: 126) betoogt dat plaag in de Nederlandse dialecten meestal ‘besmettelijke ziekte’ betekent. Maar in het Vlaams is het vooral ‘vallende ziekte’ en in het Gronings, Drents, Overijssels en Limburgs ‘toeval’. In de te Amsterdam gedrukte Klucht van Trijn Hamborg [1627] komt voor te plaag! De uitdrukking gans plaech is een verbastering van bij de plaag van God. Plaag is daarbij een eufemistische aanduiding van de pest. Later verdwijnt deze pregnante betekenis. Dat men iemand plagen toe kan wensen, blijkt uit het leerdicht De Gramschap [1725] van L. de Meyer. Daar lezen wij: “Desen bedelaer begint eerst soet te vraegen, maer soo g’hem niet en geeft, hy wenscht U duisend plagen.” → pest.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Plaag (oorspr.: hemelsche straf: de plagen van Egypte), van ’t Lat. plaga = slag, wonde; later ook: kastijding, onheil, ramp, kwelling.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plaag ‘onheil’ -> Deens plage ‘onheil’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors plage ‘onheil’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect plôké; plauke; ploukes (mv.) ‘ramp; epidemie; klieren, kliergezwellen’; Negerhollands plaag, plag, plā, plaeg ‘onheil’; Sranantongo plâg ‘onheil’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plaag onheil 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut