Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pit - (zaadkorrel, merg van bomen, kern)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pit 1 zn. ‘zaadkorrel, kern van vrucht; energie’
Mnl. pit ‘boomkern’ in dat pit of dat merch van desen boom [1484; MNW]; vnnl. pit, pitte ‘zaadkorrel, vruchtkern, hart’ [1599; Kil.], bij overdracht ‘verstand’ in bewees dat hij pit in hadt [ca. 1635; WNT], ‘daadkracht, energie’ in zoveel kracht en zoveel pit [1671; WNT].
Het woord komt verder alleen voor in het Middelnederduits: pit, pitte ‘pit, kern’. Misschien is dit hetzelfde woord als mnl. pedic ‘houtmerg, pit’ [1300-50; MNW pedic], vnnl. peddick ‘id.’ [1599; Kil.], met d-syncope nnl. dial. peek ‘id.’ [1887; WNT peddik], waarvan de verdere herkomst eveneens onbekend is. Gezien de zeer beperkte geografische spreiding en het betekenisveld ‘plant’ mogelijk een substraatwoord. Zie ook → pit 2.
Bij mnl. pedic horen: mnd. pedik, peddik ‘merg, kern’; oe. pitha ‘houtmerg; essentie’ (ne. pith ‘kern, kracht, energie’), nfri. piid ‘merg, kern; draadkracht, energie’; < pgm. *piþan, *piþþan (alleen West-Germaans).

pit 2 zn. ‘draad van kaars of olielamp; kookpit’
Vnnl. pit ‘aan te steken draad in kaars’ in het pit van eene kaers [1691; WNT pit V]; nnl. pit ook ‘lont van olielamp’ in pit in de lamp [1710; WNT pit V], bij vergelijking ‘brander van gaslamp’ in lampions en gaspit [1871; WNT gaspit], de gaslamp, één pit, met een geel-zijden kap [1910; WNT pit V], dan ook ‘brander van een gasfornuis’ in terwijl de aardappelen opstaan ... op een heel laag pitje [1940; Vaderland].
Hetzelfde woord als → pit 1 in de betekenis ‘kern, binnenste’: hier de gevlochten draad in het binnenste van kaars of olielamp.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pit1* [zaadkorrel, merg van bomen, kern] {1484} middelnederduits pit(te), etymologie onzeker, misschien verwant met engels pith [boommerg].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pit znw. v., mnl. pit (laat voorkomend) o. ‘houtmerg, kernʼ, Kiliaen pitte, pit ‘pit, mergʼ en Holl. pette ‘kernʼ, mnd. pitte, pit ‘pit, merg, krachtʼ. De vorm met -tt- zal wel een intensief-formatie zijn naast die met -þ- (vgl. daarvoor ook: klit), waaruit de onder peel genoemde woorden mnd. pedik ‘mergʼ en oe. piða ‘boommergʼ ontstaan zijn. — Een zuiver westgerm. woord zonder verdere aanknopingen (uit een substraattaal?). — > amerik.-eng. pit (vgl. J. E. Neumann JEGPh 44, 1945, 275).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pit znw. (de, het), later-mnl. pit (put) o. “houtmerg, kern”. Kil. vermeldt naast pit(te) “pit, merg” ook “pette. Holl. j. kerne. Nucleus”. = mnd. pit(te) “pit, merg, kracht”. Wsch. met tt uit idg. tn: vgl. met þ (ð) uit t mnd. ped(d)ik m. “het binnenste, merg”, Kil. “peddick int hout. Sax. j. marck, pit,” ags. piða m. “merg van boomen, binnenste” (eng. pith). Oorsprong onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pit. Over tt < idg. tn- zie bij bakken Suppl. 1e alin. De tt naast þ (ð) is eerder op te vatten als bij klit.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pit 1 v. (kern), ouder Nndl. pitte + Ags. piđa (Eng. pith), Mndd. peddik: oorspr. onbek.

pit 2 o. (kracht), hetz. w. als pit 1; vergel. puik.

pit 3 v. (wiek), hetz. als pit 1, met de bet. het binnenste van iets.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pit s.nw.
1. Saadkorrel of kern van 'n vrug. 2. Binneste, kerngedeelte van iets, bv. 'n sweer. 3. Innerlike krag, waarde. 4. Draad in die middel van 'n kers of lamp.
Uit Ndl. pit (al Mnl.).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1913). Ook vanuit Ndl. in gewestelike Amer.Eng.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pit (de, -ten), (ook:) gedroogde garnaal of garnalen (sarasara*). De gedroogde garnalen of ’pitten’ worden voor een goede prijs op de markt verkocht (Enc.Sur. 638). Vroeger waardeloos, thans zowel vers als gedroogd verkocht; gedroogde pit voor export (S&S 180). - Etym.: AN pit = o.m. gepelde garnaal, ook vers. - Zie ook garnalenzemel*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pit ‘zaadkorrel, merg van bomen; kern’ -> Fries piid ‘zaadkorrel, merg van bomen, kern’; Engels pit ‘stenige kern van vruchten; (Zuid-Afrika) eetbaar zaad’; Zuid-Afrikaans-Engels pit ‘vruchtkern, zaadkorrel’ ; Amerikaans-Engels pit ‘stenige kern of zaad van vruchten’.

pit ‘brander van gasfornuis; draad van kaars of olielamp’ -> Fries pit ‘brander van gasfornuis; draad van kaars of olielamp’; Indonesisch pit ‘brander van gasfornuis’.

pit ‘energie’ -> Fries piid ‘energie’; Vastelands-Noord-Fries pit ‘energie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pit* zaadkorrel, merg van bomen, kern 1484 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1831. Op de pit leunen

beteekent klaploopen; in de tooneeltaal: voorschot op tractement vragen, nl. aan het donkere kantoortje in den voormaligen Stadsschouwburg te Amsterdam, waar altijd een lamp brandde; maar ook: over de lamp van den souffleur gebogen zijn, ieder woord afwachten, op den souffleur spelen, pittenWoordenschat, 927; De Telegraaf, 2 Juli 1914 (avondbl.), p. 7 k. 5. De laatste beteekenis zal wel de oorspronkelijke zijn.; vgl. M.z.A. 97: Kerel! je moet mij uit den brand helpen; ik moet op de pit leunen, - 'k heb geen cent meer in huis; doe jij me pleizier en maak, dat ik voorschot krijg; De Amsterdammer, 8 Nov. 1914, p. 7 k 1: Hoewel ze geen bliksem van hun rol kenden en bar op de pit leunden; Handelsblad, 5 Januari 1920 (A), p. 1 k. 4: We spelen vanavond ‘Rooie Sien’ deelde men ons mede en al zullen de invallers ook op de pit moeten leunen, we spelen; 26 Mei 1918, p. 6 k. 5: ‘Pitten’ jongmensch, legt de eerste acteur uit ten behoeve van zijn minder goed ingelichten collega, ‘pitten’, jongmensch, is het vermoeden hoe je rol wel zou kunnen wezen en voor de rest drijven op den souffleurEr is ook een ww. pitten, slapen, in soldatentaal; zie D.v.S. 55; 114; 144.; Onze Volkstaal III, 254: Op de pit leunen, ieder woord van den souffleur afwachten. Zie no. 1322. (Aanv.) Handelsblad 1 Juni 1924 (O) p. 9 k. 1: Vooral acteurs, die op de pit spelen, hebben er een handje van woorden te zeggen, die niet in hun rol staan.

2253. Test

is in den volksmond een der benamingen voor hoofd, kop; het woord is ontleend aan ofr. test, aarden pot of aan het lat. testum, vulg. lat. testa, dat hetzelfde beteekent; fr. tête. Voor den overgang van beteekenis vgl. kop, hersen pan, hd. Hirnschale; het mnl. moude (melkmout, bak), dat ook voorkomt in den zin van schedel, hersenpan; mnl. mole, vaatwerk, hoofd; bekkeneel, afleiding van bekken, een bak of schotel, mnl. hersenbecken, schedel; eng. noggin, kruik, hoofd. Zie verder Het Volk, 29 Dec. 1913 p. 5 k. 1: Dat ik er op een gegeven oogenblik een klap mee op m'n test kreeg, dat één van m'n oogen half dicht zat; Peet, 26: Een norsche mep op zijn test en hij lag zelf onder de vierde-klasse-doojen; Gron. 96: Lamstraal, hier heb je d'r een voor je test; Nkr. II, 25 Dec. p. 3: Slaat een gat hem in zijn test; Twee W.B. 89: Geef op of ik gooi de bijl naar je test; Jord. 13; 27: Tik 'm de test in mekoar - die bloedhond; II, 42; 110; 445; Menschenw. 130; 250: Aa's d'r moer wa' sai sou d'r 'n kruk op d'r test stuksloan; 208; 400; Kunstl. 111; Boefje, 57; Boekenoogen, 1055; Köster Henke, 67: Test, hoofd. Sla je lat op zijn test stuk; Slop, 212: Iets uit zijn test zetten. Ook wordt test gebezigd voor een persoon o.a. in het fri. âlde testen, oude vrijsters; in skiere test, een wijf van zeer onzindelijk voorkomen; Waasch Idiot. 648: Onnoozele test. Oude test; vgl. zwakke vaten, menschen. Synoniemen zijn kanes, kanis; zie Köster Henke, 29; 63; Boefje, 56: Dan zat ie daar met koolstruikies doorheen te mikke op de nakende kanes van Okkie; Jord. II, 43; 123; In de forten, 29: Wanneer je de reveille hoort, dan ga je eerst je kanus wasschen; Nkr. III, 18 April p. 5; V. Looy, Jaapje, 23; 196; Ndl. Wdb. VII, 1249Kanis beteekent ook ‘lichaam’: Iemand op zijn kanis geven (Ndl. Wdb. VII, 1249); en ‘persoon’: smerige kanis, vuile kanis; smeerkanis (Jong, 122; 284; syn. van smeerpijp (Nkr. V, 26 Maart p. 2); Diamst. 26; Nkr. III, 26 Sept. p. 3); slaapkanis (in A.t.A. 139).; kersepit, bij Köster Henke, 31; Jord. 160: Geen kerel keek ze naar zijn kersepit; B.B. 6; Nkr. I, 8 Sept. p. 2; IX, 13 Febr. p. 2; Mgdh. 304: Die ouwe hannes was nooit goed in zijn kersepit; krakepit (kersepit) in Nkr. VII, 15 Maart p. 2; 22 Maart p. 2; pit, in Jord. 196; II, 158; Peet, 136 en Handelsbl. 4 Jan. 1916 (A) p. 5 k. 4; knar bij Köster Henke, 34 en Jord. 178: Hij voelde zich met doofheid ingespoten..... door dat vreeselijke suizen in z'n knar; 367: 't Maalde nu toch door zijn knar, dat Neel hem vertrapte; Jord. II, 11; 43; 97; 260; 387; Peet, 94: Je lichies loddere as pap in je knar; klapbes (in Jong. 145: Pas op, hoor!..... Ik geef je 'n dobber (slag) op je klapbes! (mond); O.K. 173: De stoker kreeg er een vlak voor zijn klapbes; Peet, 12: Geef die doerak een veeg over d'r klapbes; neut bij Köster Henke, 47; Jord. 72: Jesis, wat had hij een pijn in zijn neut; Peet, 130; vgl. eng. (cocoa-)nut, hoofd; raap (in Handelsbl. 7 Maart 1923 (O) p. 8 k. 3: Als ik Rines had getroffen, dan had ik hem voor zijn raap geschoten); peer (fr. poire) in zuidndl.; ook in de uitdr. het in zijn peer hebben, hoogmoedig zijn (Ndl. Wdb. XII, 893; 1254). Zie verder brankalie (kaalhoofd), kiebes (Peet, 177), patet (Jord. II, 398); kei (zuidndl.); rausj (Jord. II, 389) of rosj (bij Köster Henke, 11; 31; 51; 56; 57Vgl. nhebr. rousj, hebr. rosj, hoofd, begin; Voorzanger en Polak, 259-260; V. Ginneken II, 90. De Franschen spreken van cafetière, fiole, terrine, ciboulot, coloquinte, citrouille, calebasse, poire, fraise, enz.; de Duitschers van rübe, kohlrübe, nusz, kürbis, birne, melone, pflaume, apfel, grind, dachs, nisschel; de Engelschen van a beam, koko, block, couch, nut, topknot, pumpkin (zie Leuv. Bijdr. XIII, 186; 198; Germ. Rom. Monatschr. IX, 51)..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut