Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pip - (vogelziekte)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pip [vogelziekte] {pip(pe) [snot, slijm, de pip] 1287} middelnederduits pip, oudhoogduits pfiffiz < latijn pituita, ∗pipita [slijm, verkoudheid], verwant met grieks pitus [pijnboom].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pip znw. v. m. ‘ziekte van hoenders door slijmverstopping in de neusʼ, mnd. pip m., ohd. pfiffiz, pfiffiʒ, pfipfiʒ < rom. *pippīta (> fra. pépie) < lat. pītuīta. Volgens Th. Frings Germ. Rom. 1932, 67 werd dit woord eensdeels uit Gallië in het Nederrijnse gebied overgenomen, andersdeels uit Opper-Italië in het Zwitsers-Zwabische gebied. Het woord is blijkbaar zeer vroeg ontleend, want het maakte nog de nhd. klankverschuiving mee; dus met de Romeinen als term van de hoenderteelt overgenomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pip v., gelijk Eng. pip, Hgd. pips, Fr. pépie, uit Mlat. pititam (-a), van Lat. pituita = slijm, verkoudheid, pip.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

pup 1 zn.: pip (hoenderziekte). Door klinkerronding i > u na en voor de bilabiale p (vgl. pupe < pipe). Mnl. pip(p)e ‘snot, slijm’, Mnd. pip < Lat. pituita, *pipita ‘slijm, verkoudheid’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1piep s.nw.
1. Siekte wat hoenders en ander voëls opdoen. 2. Ipekonders.
Uit Ndl. pip (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

piep: soort hoendersiekte; nie-ernstige siekte (ipekonders) by mense; Ndl. pip (Mnl. pip/pippe), Eng. pip, Hd. pfipfs, uit ’n Rom. taal: It. pipita, Sp. pepita, Port. pe-/pivide, Fr. pepie/pépie, uit Ll. pipita uit Lat. pituita, “slym, snot”; vgl. Eng. pituitary.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pip (Romaans *pippita)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

pip. Een ziekte van hoenders en andere vogels, waarbij zich een dik slijm afscheidt in de neusholte en soms ook de tong verhard wordt. Een andere naam is snotziekte. In sommige delen van het taalgebied is pip ook de volksbenaming voor de griep, voor kroep of keelontsteking. Dikwijls werd de ziekte opgevat als een ernstige ziekte, die een dodelijke afloop heeft. Vandaar ook dat het woord in verwensingen als krijg de (gestreepte) pip! en laat ze (allemaal) de pip krijgen! gebruikt wordt. Sanders en Tempelaars (1998) hebben als enigen nog de variant krijg de pip met sterretjes voor je ogen! Als trefwoord komt pip vanaf de vierde druk in Van Dale voor. Voor de meeste hedendaagse moedertaalsprekers komt bij pip de gedachte aan een of andere ziekte niet op. En ook een taalkundige zal bij het horen van pip of pepeie niet onmiddellijk aan het Middellatijnse pîpîta, een vervorming van het Latijnse pîtuîta, ‘slijm’, ‘snot’ denken. Pup is een variant. De emotionele betekenis van de verwensingen duidt op minachting, ergernis, afkeer, haat en vergelijkbare emoties, die alle weergegeven kunnen worden met ‘donder op’.→ kippenkoorts, krijgen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pip ‘vogelziekte’ -> Engels pip ‘vogelziekte’; Sranantongo peipa ‘vogelziekte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pip vogelziekte 1287 [CG NatBl] <Latijn

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal