Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pin - (scherp staafje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pin 1 zn. ‘scherp staafje’
Mnl. pinne ‘torenspits; in die pinne van den temple ’de torenspitsen van de tempel‘ [1285; VMNW], pinne, pynne, penne ’ijzeren pin, staafje‘ in die pinne dore die hant slaen [1365; MNW], ’markeerpinnetje, als ijkteken van maten‘ in voltappen ... totten pynnen to ’tot het pinnetje voltappen‘ [1425; MNW], ’houten pen, nagel‘ in wat latten ... wat pinnen [1427; MNW], ’ijzeren punt‘ in dat stavekijn ... hadde een pennekijn voor ’het staafje had vooraan een ijzeren puntje‘ [1480; MNW]; vnnl. pinne, pinneken ’houten pen, ijzeren staaf‘ [1573; Thes.], penne ’spie‘ [1599; Kil.], ’stift‘ in de pen van ’t kompas [1641; WNT pen III], pennen, om de vellen ... daer mede te steecken ‘houten nagels om de (robben)vellen mee vast te zetten’ [1655; WNT]; nnl. pen, pin ‘ijzeren stift, ijzeren naald’ in scherpe pinnen die in den grond staken [1841; WNT], in de samenstelling breipen [1898; WNT breien], pennen om op vleesch ... te steken [1910; WNT pen III].
Os. pin (mnd. pin, pinne waaruit on. pinni, nzw. pinne); ohd. pfinn (mhd. phinne; nhd. Pinne uit mnd.); oe. pinn (ne. pin); alle ‘pin, nagel, plug’; < pgm. *penn- ‘uitstekende punt of piek’.
Wrsch. verwant met: Oudiers benn ‘piek, hoorn’; Welsh ban ‘piek, punt’; < pie. *bend- ‘uitstekende punt’ (IEW 96). Mogelijk was de grondbetekenis ‘piek, punt’ (FvW, BDE, IEW); er zou dan verband kunnen bestaan met → pink ‘kleine vinger’. Een andere mogelijkheid is dat het woord is ontleend aan Latijn penna, pinna ‘veer, pijl, tinne, vin’, zie → pen (Toll., Kluge). In het eerste geval heeft het woord later wel betekenissen van Latijn penna ontleend, en ook de nevenvorm pen zal onder invloed van het Latijn zijn ontstaan.

pin 2 zn. ‘vinnige vrouw’
Nnl. pin, pinne ‘opvliegend persoon’ in laat die pinne gerust ‘laat dat opvliegende mens nou maar met rust’ [1900-04; WNT], ook de afleiding pinnig ‘vinnig, fel’ [1974; Koenen], pin ‘pinnig, bazig persoon (vooral gezegd van vrouwen), haaibaai’ [1984; Van Dale].
Hetzelfde woord als → pin 1. Er ontstonden verschillende betekenissen van pin die betrekking hebben op een persoon. De betekenis ‘gierigaard’ [1890; WNT] kon wrsch. ontstaan via uitdrukkingen als zo schraal en dun als een pin. In het BN (Brabants) is gierige pin nog springlevend. Betekenissen als ‘lastig, schreeuwend kind’ [1900-04; WNT] en ‘opvliegend persoon’ zullen wrsch. zijn ontstaan omdat het pijnlijke effect van hun luide, snijdende uitvallen werden vergeleken met het effect dat een scherp voorwerp kan hebben.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pen2, pin [houten nagel] {pin(ne), penne [houten of ijzeren pin, pijlspits, tinne] 1285} < latijn penna, pinna [veer, vin, pijl, kanteel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pen 2, pin znw. v., ‘pin, ijzeren punt’, mnl. pinne, penne v., pinne, pin m., os. pin ‘paxillus’, mnd. pinne, pin ‘pin, priem, tap’ (> nhd. pinn m. pinne v.), ohd. citer-pfin ‘plectrum’, mhd. pfinne ‘spijker’, oe. pinn (ne. pin) ‘pin’ (on. pinni ‘pin, spijker’ < mnd.) zijn afgeleid van lat. pinna, resp. van gallo-rom. penna (Th. Frings Germ. Rom. 1932, 152-3).

De verklaring als een germ. woord met verwijzing naar miers benn ‘hoorn, top’, nog door IEW 97 verdedigd, is veel minder waarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pen II, pin znw., mnl. pinne (penne) v., pin(ne) m. “pin, ijzeren punt”, ohd. citer-pfin m. “plectrum”, mhd. pfinne v. “spijker”, os. pin “paxillus”, mnd. pin(ne) “pin, priem, tap” (nhd. pinn m., pinne v.), ags. pinn (eng. pin) “pin”, on. pinni m. “scherpe punt, pin”, die vaak uit lat. pinna “muurtinne”, ook den naam van andere puntige voorwerpen, afgeleid worden. Zeker komt hiervan mnl. pinne v. “muurtinne”, maar de andere genoemde vormen kunnen best oorspr. germ. zijn en verwant met ier. benn “hoorn, punt”, bennach “puntig, spits”; in ’t Germ. vgl. eventueel pink I en pint.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pen II, pin. Geografische argumenten voor oude ontl. uit het Lat. bij Frings Germ. Rom. 152 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pin v., Mnl. pinne + Hgd. pinn, Eng. pin + Oier. benn = punt, en verder pink 1. Voor anderen uit Lat. pinna: z. vin 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2pen s.nw.
1. Skerppuntige voorwerp wat in of deur iets geslaan of gesteek kan word. 2. (krieket) Een van drie skerppuntige pale wat in die grond gesteek word.
In bet. 1 uit Ndl. pen (al Mnl.). Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. stump (1735).
Mnl. pinne is óf oorspr. 'n Germ. woord óf ontleen aan Latyn pinna 'muurpen'.
Eng. pin (in bet. 1).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. pen (de, -nen), (ook:) wasknijper. Bediende* was aan ’t hangen toch*, met pennen van die waskleren in d’r mond (Cairo 1980c: 62). - Etym.: Voordat de knijper bestond, werd wasgoed met een houten, gespleten ’(was)pen’ (AN) geklemd. - Syn. waspen*, wasklem*.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

pin. Vlaanderen kent de verwensing ik schijt u een worst met een pin! De eigenlijke betekenis van pin ‘spie, bout, spijker’ heeft zich ontwikkeld tot punt(je). De verwensing heeft vooral een emotionele betekenis gekregen en drukt minachting, haat, afkeer en weerzin uit. → schijten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pen, pin ‘houten nagel; puntige metalen stift’ -> Fries pinne ‘breinaald’; Deens pæn ‘houten verbindingsstuk op schip’; Zweeds pen ‘hamerpin, houten nagel’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch pén, pin ‘pen in hout- of bamboeverbinding; veiligheidspin van handgranaat’; Ambons-Maleis pèn ‘houten nagel’; Gimán pen ‘pin in houtverbinding’; Iban pin ‘houten nagel’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis pèn ‘spijker van hout of bamboe’; Keiëes pen ‘houten nagel’; Kupang-Maleis pèn ‘houten nagel’; Madoerees ēppen ‘stalen pen’; Menadonees pèn ‘houten nagel’; Minangkabaus pena ‘houten nagel’; Sahu pen ‘wig, houten nagel’; Ternataans-Maleis pèn ‘houten nagel’; Creools-Portugees (Batavia) pen ‘houten nagel, naald’; Munsee-Delaware pi:nč ‘speldje’; Papiaments pènchi (ouder: pennetsje) ‘houten nagel; wasknijper; haak (van een kapstok); puntig gereedschap gebruikt bij hoedenvlechten en stoelenmatten’; Sranantongo pen ‘houten nagel’; Aucaans pina ‘houten nagel’; Karaïbisch pini ‘(veiligheids)speld’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pen, pin houten nagel 1285 [CG Rijmb.] <Latijn

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

pin (← Eng.), kleurig, geëmailleerd schildje. In de jaren negentig aanleiding tot een ware verzamelrage onder scholieren. Andere rages zijn of waren o.a. de flippo* en de tamagotchi*.

Een Parijs’ fastfood-restaurant adverteert met: ‘Les pin’s nouveaux sont arrivés.’ Met Beaujolais lok je in Frankrijk geen klant meer. Een nieuwe ‘pin’ echter garandeert een stormloop op je zaak. (Elsevier, 15/08/92)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1797. Iemand de (of een) pen op den neus zetten,

ook wel iemand de pé (d.i. peen, pen, praam, prank of prik) op den neus zetten, door het een of ander doortastend middel iemand dwingen tot spreken of handelen; ook: iemand op gevoelige wijze de waarheid zeggen; hem intoomen, hem beletten uit den band te springenVgl. Brederoo I, 128, 681: Een dubble nues-dwang-straf betoomt myn jonghe sinnen.; vgl. V. Janus, I, 155: Ik wil voor jeluy oogen verzinken, als wij zelfs geen oorzaak zijn, dat men ons deze peen op den neus gezet heeft. 't Is een bril, daar wij duidelijk door kijken kunnen, maar die ons den neus zoo drommels in een drukt, dat er ons de traanen van in de oogen komen; Het Volk, 17 Jan. 1914, p. 5 k. 3: Van stonde af begon Bet haar schoonmoeder te vertroetelen en den kinderen werd in de keuken de pen op den neus gezet; Nw. School, I, 24: Je zult last met ze (leerlingen) hebben - zet ze maar dadelijk de pen op den neus. Syn. zijn iemand de prang (= pranger) of de klem, den nijper op den neus zetten (De Cock1, 79; 338; Antw. Idiot. 1915); iemand een prange op de neus zetten, iemand verbieden iets te verklappen (N. Taalgids XI, 306); iemand een pen (of een prik) op den neus zetten (Harreb. II, 124 a); fri.: immen de kaem (pranger) op 'e noasters (neusgaten) sette; de kniper komt op 'e skinen, de nood komt aan den manVgl. Harreb. II, XXVII: Als knijper aan boord komt, als de nood aan den man komt. Zie no. 1638.; geld.: iemand en pin vör de nöze of op den start zetten, iemand beletten om zich al te vrij te bewegen (Gallée, 33 a); iemand een bril op den neus zetten, iemand breidelen, bedwingen (Tuinman I, 348); iemand de knip op de staart setten (Winschooten, 38); iemand de kniepe op den staart zetten (Gunnink, 51); iemand een karpeson, kappeson (fr. caparaçon, cavaçon) op den neus zetten (Oudemans III, 314; Tuinman I, 333; Ndl. Wdb. III, 1380; Nav. LXI, 181); nd. wen de klemm (of knipen und klemmen) upsetten, jemand in die Enge treiben (Reuter, 58 b); enz. Al de hier genoemde dwangmiddelen kunnen dienen om springende of onwillige paarden te bedwingen. Vgl. ook het fr. donner des morailles à qqn, le tenir serré; pincer le nez à qqn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut