Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pimpelmees - (zangvogel (Parus caeruleus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pimpelmees zn. ‘zangvogel (Parus caeruleus)’
Vnnl. pimpelmeese [1567; Nomenclator, 69b], pimpelmees ‘id.’ [ca. 1636; Jacht-Bedryff]. Daarnaast de verkortingen nnl. pimpeltje [1763; Houttuyn I, 5, 596] en pimpel [1857; Schlegel].
Samenstelling van → mees met een onduidelijk eerste lid. Mogelijk ontleend aan het iets eerder geattesteerde Nederduits Pimpelmeise [1544; Suolahti]. De pimpelmees is een relatief kleine mezensoort. Voor het eerste lid veronderstelt men daarom wel een oorspr. betekenis ‘klein voorwerp’, of bijvoeglijk ‘klein, teer’, op grond van het zn. vnnl. pimpeltje ‘klein glaasje’, waarvoor zie → pimpelen. Een simplex met de betekenis ‘klein (voorwerp)’ is echter niet geattesteerd. Pimpeltje ‘klein glaasje’ is bovendien een eeuw later geattesteerd dan de vogelnaam en zou om die reden als expressief woord rechtstreeks naar de vogel genoemd kunnen zijn. De vogel heeft zijn naam dan wrsch. te danken aan een gewestelijke nevenvorm (Leuven, Antwerpse Kempen) pimpel [1599; Kil.] van Zuid-Nederlands pepel, pumpel ‘vlinder’, een vroeg leenwoord uit Latijn pāpiliō ‘vlinder’, zie ook → paviljoen. Vergelijk West-Vlaams pimpaljoentje ‘lieveheersbeestje’ < papillon. De -m- is dan dus epenthetisch als in → pompoen. Een andere mogelijkheid is dat de pimpelmees genoemd is naar zijn geluid (Eigenhuis 2004). Minder waarschijnlijk is dat pimpel- hier ‘blauw’ betekent en dat de soort zou zijn genoemd naar zijn blauwe kruin (zoals o.a. Duits Blaumeise, Zweeds blåmes, Engels blue tit). Een simplex pimpel als kleurnaam is namelijk noch in het Duits noch in het Nederlands geattesteerd, en de samenstelling pimpelpaars is pas van latere datum [1610-20; WNT], waarbij bovendien onzeker is of pimp- wel de betekenis ‘blauw’ heeft.
Lit.: Eigenhuis 2004

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pimpelmees* [soort mees] {pimpelmeese 1567} vermoedelijk te verbinden met nederduits pimpeln [zwak en teer zijn, klagen], pimpen [kermen], engels pimping [klein, zwak, ziekelijk]; klanknabootsende vormingen. Het eerste lid kan ook afkomstig zijn van pimpelpaars, dus ‘blauwe mees’, hoewel pimpelpaars pas later is aangetroffen. Vgl. koolmees [zwarte mees].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pimpelmees znw. v., sedert Kiliaen, vla. pimpermeese, middelrijns pimpelmeisz (1544), en altmärkisch pümpelmêsk bevat als 1ste lid de stam van nnd. dial. pimpeln ‘zwak of teer zijn, klagenʼ, afgeleid van pimpen ‘kermen, wenenʼ (waarvoor zie: pimpelen). Deze bet. van ‘zwakʼ die wij ook vinden in ne. pimping, pimpy past dus voor een kleine meessoort.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pimpelmees znw., sedert Kil.; vla. pimpermeeze. = middelrijnsch pimpelmeisz (reeds 1544) “pimpelmees”, altmärkisch pümpelmêsk “parus maior”. ’t Eerste lid kan wel identisch zijn met dat van pimpelpaars bnw., nog niet bij Kil.: fri. pears en pimpel. [Vgl. de woordgroep, bij pimpelen behandeld? Bezwaarlijk is pimp- een genasaleerde formatie naast piepen. In een alliteratievorm als pimpelpaars is de ospr. bet. van ’t eerste lid absoluut niet na te gaan.] De pimpelmees heet ook in ’t Du. naar de kleur: blaumeise v.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

PIMPELMEESParus caeruleus
Duits Blaumeise
Engels Blue Tit
Frans Mésange bleue
Fries Blaumieske
Betekenis wetenschappelijke naam: blauwe ‘Parus’. De aanduiding ‘pimpel’ zoals ook vermeld in de volksnamen Pimpel(tje) en Pimpelmezeke (Vla) is afkomstig van het Middelnederduitse pimpeln dat zwak of teer (van gezondheid) betekent. Opmerkelijk is dat het woord pimpelpaars is afgeleid van de kleur van de Pimpelmees. De kobaltblauwe kleur komt, naast de wetenschappelijke en de Friese naam, tot uitdrukking in Blauwmees(je) (Gr, Lb), Blauwmeeze (Goo), Hemelmees (Kem) Blauwkopje (Kem), Blauwköpke (NB), Blauw Petje (Ach), Blauwkopmees (ZH), Blauwmû(t)ske (Fr), Blaumuuske (SFr), Blaauwmastje (Gr), Blaeuwe Mêêze (ZBW), Blaauwmutsje (Gr), Blauw(winter)maiske (Gr) en Blausyske (Fr). In het Friese Blaukopkedidyt is ‘didyt’ klanknabootsend gevormd (vergelijk het Engelse Tit). De naam Blauwselpoppie benadrukt naast de blauwe kleur, de witte wangen en nek van de mees. Waarschijnlijk is de bijnaam Stijfselkoppie afgeleid van de vorige en ingegeven door de gedachte aan wasmiddelen. Een moderne omschrijving van hem is ‘Mus in een trainingspakkie’ De streeknaam Osseköpke (NB) is ook een passende bijnaam voor de Staartmees en wordt daar nader toegelicht. De naam Meelmees duidt vermoedelijk op de witte wangen en nek, de naam Ringelmees op de donkere halsring. Zijn bescheiden, wat scherpe roep is verwoord in Pieperken (WNB). In vergelijking met de grotere Koolmees of Dubbele Mees wordt de Pimpel zowel Kleine Mees, Klein Mezeke (Vla) als Enkele (Bij)Mees (Wag) genoemd. De indicatie ‘bijmees’ vinden we voor meerdere mezensoorten vermeld. Het is bijna alleen de Koolmees die zich als een echte ‘bijenjager’ gedraagt. Zo vonden we ook voor de Pimpelmees namen als Biemeiske (Lb), Bijemieësje (ZLb) en Biemeeze (Twe). In zijn boek ‘Onze Vogels, de nuttige en schadelijke’ van Dr. W.C.H. Staring (1875) lezen we bij de Pimpelmees de passage: “De naam bijmees is ontleend aan het bijgeloof dat zij de bijenkorven wel eens te na zouden komen. Men kan dit als zuiveren laster beschouwen.” Vogelvangers noemden destijds het mannetje van de Pimpelmees Hijtje en gaven het vrouwtje de naam Zoutje, een verbasterd ‘Zijtje’.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

pimpelmees, pimpelneus: drinkebroer; iemand die zich aan sterkedrank te buiten gaat. Het werkwoord pimpelen betekent ‘zuipen’; mogelijk afgeleid van pimpel (klein glas voor likeur) maar onder invloed van pompen (stevig drinken). Men zegt ook wel aan de pimpel zijn.

Je most ’t mijn niet geleverd hebbe, om me in m’n negotie te benadeele, ik had je je lelijke rooie sik uit je kin getrokke, vieze pimpelneus! (Justus van Maurik, Stille menschen, z.j.)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Pimpelmees Parus caeruleus Linnaeus 1758. Deze in geheel Europa bekende Mees heeft in heel veel talen zijn naam te danken aan zijn hemelsblauwe kleuren aan de kop (bijv. fries Blaumieske ↑ en E Blue Tit). Mooie N en D volksnamen zijn ook Hemelmees en Himmelmeise. Ogenschijnlijk geldt dat ook voor de officiële N naam indachtig het woord pimpelpaars; maar paars is zeker niet de kleur van de kop van de Pimpelmees. vDE 1993 en VT 2000 veronderstellen dat pimpelpaars (1622) mogelijk integendeel van de naam van de Mees is afgeleid, of anders van het ww. pimpelen ‘alcohol drinken’ (1693) waarvan men een paarse neus krijgt.
Een ander zeer bekend fenomeen aan deze vogel is zijn “belletje” of “zilveren lachje”, een serie snel opeenvolgende tingelende geluidjes, die hij laat horen bij alarm, zoals bij een naderende Sperwer, of als zang in het voorjaar. Thijsse 1944 geeft het weer als “pim im im im im im im”. Naar dat geluid is de naam in het lemma gegeven; het is een halfonomatopee (zie etymologie).
BENOEMINGSGESCHIEDENIS De oudste vindplaats van de N naam is in de Nomenclator (= ‘woordenboek’, letterlijk ‘naamnoemer’) van Junius uit 1567; de spelling is dan: Pimpelmeese [VT; Suolahti]. Middelrijns Pimpelmeyß is ouder, staat nl. in Longolius 1544. De Bo 1873/1892 noemt vlaams Pimpermeeze [vgl. Wilms 951014]. In Kiliaan 1599: “Pimpel-meese. Parus minor, parus caeruleus.” Houttuyn 1763 voert in zijn Bladwyzer alleen de naam Pimpelmees, maar in de marge van p.596 noemt hij hem Pimpeltje. De tekst over de soort begint zo: “Deeze wordt, gemeenlyk, de blaauwe of kleine Mees getyteld, en de Switzers noemen hem zelfs Blawmeiss, doch de Duitschers, in ’t algemeen, Meelmeiss of Pimpelmeiss, gelyk wy hem ook Pimpelmees of Pimpeltje heeten.”
B&O 1822: “De blaauwe Pimpel of kleine Mees.”
Het feit dat er in het D meer variaties op de naam zijn, veronderstelt dat de naam Pimpelmees uit het D afkomstig is. Danneil 1859 noemt altmärkisch pümpelmêsk [Suolahti; NEW] (maar daar = ‘parus major’, de Koolmees dus) en Wüst 1970 noemt D Pimpelmeise, Bümpelmeise, Pumpelmeise, Pimpelmees(e).
ETYMOLOGIE Voor het naamsdeel -mees zie sub Mees. Het eerste element van de naam is ws. het nederduitse ww. pimpeln, waarbij vDE 1993, NEW 1992, VT 2000 en B&TS 1995 de betekenissen ‘zwak of teer zijn’1 en ‘klagen’ in verband
brengen met de vogel. Deze zienswijze wordt terecht bestreden door Wilms [951014,2]. Hij wijst erop dat Grimm 1854/1954 bij dit ww. opgeeft: “eigentlich wie eine Schelle fortwährend klingen” (‘eigenlijk als een belletje voortdurend klingelen’). Dit is mooi van toepassing op het geluid van de Pimpelmees. E Tinnock geeft het ook weer, met een ander woord.
D bimmeln ‘tingelen etc.’ staat qua formatie dicht bij pimmeln, wat een synoniem is voor pimpeln (met een affectieve tweede p); ongetwijfeld ligt dit dicht bij de bron voor D Bümpelmeise. D pimpern (synoniem klimpern) ‘tjingelen, klapperen’ dringt zich op bij vlaams Pimpermezeke. Van hetzelfde ww. is D Pimpernuß ‘pimpernoot, pistache’ afgeleid; daarnaast komt het synoniem Pimpelnuß voor.

==

1 De betekenis ‘zwak of teer zijn’ (en dientengevolge veel ‘klagen over z’n gezondheid’) is wél van toepassing op pimpelmees ‘zwak meisje, zwak mannetje’. Deze twééde betekenis van pimpelmees kende Kiliaan reeds: “Homuncio debilis, imbellis, imbecillus” [Wilms 951014,2]. Daarnaast heeft pimpelmees nu een derde betekenis: die van ‘drinkebroer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pimpelmees* zangvogel 1567 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal