Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

piloot - (bestuurder van een vliegtuig, autocoureur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

piloot zn. ‘bestuurder van een vliegtuig’, (BN) ‘autocoureur’
Nnl. piloot ‘bestuurder van een vliegtuig’ in een vliegenier ... een ervaren piloot [1914; Groene Amsterdammer], ‘autocoureur’ in [een race] waaraan 112 piloten deelnamen [1977; De Clerck 1981].
Ontleend aan Frans pilote ‘bestuurder van een vliegtuig’ [1908; TLF], ‘bestuurder van een motorvoertuig’ [1903; TLF], eerder al ‘bestuurder van een luchtballon’ [1782; TLF], nog eerder ‘leidsman, gids’ [voor 1560; TLF] en ‘bestuurder van een schip’ [1339; TLF]. Frans pilote is ontleend aan Italiaans piloto, pilota ‘stuurman’ [14e eeuw; DELI], wrsch. ontwikkeld uit ouder pedoto, pedota, dat ontleend is aan middeleeuws Grieks *pēdṓtēs (toenmalige uitspraak /pidjotis/), een afleiding van Grieks pēdón ‘stuurpeddel’, verwant met poús (genitief podós), dat verwant is met → voet.
Hetzelfde woord was al in het Middelnederlands ontleend in de betekenis ‘bestuurder van een vaartuig’ in stiermannen ende ... pyloten ‘stuurlui en loodsen’ [1488; MNW]; vnnl. piloot ‘stuurman’ en piloot, lootsman ‘loods’ [beide 1599; Kil.]; deze betekenissen, met enkele figuurlijke uitbreidingen, komen nog steeds voor in het WNT bij de ingang piloot (1923), waar de betekenis ‘vliegenier’ nog ontbreekt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

piloot [vlieger] {pilote, piloot [stuurman, loods] 1488} < italiaans pilota, uit een niet-geattesteerd byzantijns gr. woord dat gevormd is van klass. grieks pèdon, pèdalion [riem waarmee werd gestuurd], waarin de d door l is vervangen (vgl. pedaal); de oorspr. betekenis van pèdon is voetzool (de riemen werden gezien als de benen van het schip).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

piloot

Op het ogenblik is de betekenis van het woord piloot beperkt tot die van: bestuurder van een vliegmachine. Maar het woord is veel en veel ouder dan het vliegwezen. Het komt reeds in het Middelnederlands voor in de betekenis: stuurman, loods. Het is overgenomen uit het Frans, waar het in de 16e eeuw pilotte luidde en dit komt weer uit het laat-Latijnse pilotus. Men brengt dit woord in verband met ’t Italiaanse pedotto: stuurman en dit weer met ’t Griekse pèdon: roeiriem. De overgang van d in l is in de gesproken taal verklaarbaar.

In vroeger tijd zocht men verband tussen de woorden piloot en peillood en dientengevolge vindt men soms de schrijfwijzen peilloot, pijlloot en pijloot. Zo noemt Hooft in zijn Historiën God ‘den peiloodten die het schip (van staat) voor ’t stranden en stooten op klippen oft banken hoedt’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

piloot znw. m., mnl. pilote, piloot < fra. pilote < ital. pilota, dat teruggaat op mgr. *pēdṓtēs (πηδώτης) uitgesproken als pidotis en met verwisseling van d en l.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† piloot znw., reeds laat-mnl. Evenals eng. pilot, hd. pilot m. uit fr. pilote, dat via it. pilota, piloto op een mgr. *pēdṓtēs ‘stuurman’ wordt herleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

piloot m., uit Fr. pilote, It. pilota, pedota, van Gr. *pēdōtḗs = stuurman, van pḗdon = roer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

piloot: bestuurder v. ’n skip of vliegtuig; Ndl. piloot (Mnl. pi-/pylote/piloot), soos Hd. en Eng. pilot, uit Fr. pilote (vroeër pillotte), soos It. pilota en Sp.-Port. piloto, uit Ll. pilotus naas It. (wv.) pedot(t)a wat wsk. verb. hou m. Gr. pêdon/pêdos, “roeiriem”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

piloot (Frans pilote)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

piloot ‘vlieger’ -> Duits Pilot ‘bestuurder van vliegtuig of helikopter’; Deens pilot ‘vlieger’ (uit Nederlands of Frans); Zweeds pilot ‘bestuurder van vliegtuig of helikopter’ (uit Nederlands of Frans); Fins pilootti, pilotti ‘loods, vlieger, chauffeur’ ; Litouws pilotas ‘vlieger’ ; Indonesisch pilot ‘vlieger’; Boeginees pilố ‘vlieger’; Jakartaans-Maleis pilot ‘vlieger’; Papiaments pilot ‘vlieger’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

piloot vlieger 1924 [GVD] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut