Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pillegift - (doopgeschenk)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pillegift [doopgeschenk] {pillegifte 1445} van middelnederlands pille, pil [petekind] < latijn pupillus, vr. pupilla [onmondig kind, wees] (vgl. pupil1).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

pillegift

Het was in vroeger tijd gewoonte dat, wanneer een kind gedoopt werd, de zogenaamde doopheffers – zij die de pasgeborene ophieven om het te laten dopen – aan hun petekind een geschenk gaven. Dit noemde men de pillegift. Het eerste deel van de samenstelling vereist wel een verklaring. Het reeds in het Middelnederlands bekende woord pille betekende: doopkind, petekind en is ontleend aan het Latijnse woord pupillus, onmondige, wees, dat in de vorm pupil nog algemeen bekend is. In de streek om Zutfen bestond vroeger het gebruik omstreeks Kerstmis aan de kinderen (oorspronkelijk aan petekinderen) koekjes uit te delen die men pillewegskoekjes noemde. Een wegge is een fijn weite- of tarwebrood.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pillegeld znw. o. en pillegift, mnl. pilleghelt o., pilleghift, pillegâve v., waarvan het 1ste lid is pille m. v. ‘doopkind, petekind’, vooral van meisjes gebruikt, Teuth. pyl ‘filiolus’, ohd. pillo m. ‘filiaster’ en pilla v. ‘filiastra’. Een kerkwoord en daarom wel te verklaren als ontlening < lat. pupillus, pupilla ‘onmondige, wees’.

Een ander woord is mnl. ville v. ‘peetdochterʼ (vgl. vla. ville, villen ‘doopkindʼ, eveneens met dissimilatie uit lat. filiolus, filiola, evenals os. fillul m. en ohd. fillol m. v.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pillegeld, pillegift znww., het eerste o., mnl. pilleghelt o., pilleghift(e), pillegâve v. ’t Eerste lid is mnl. pille m. v. “doopkind, petekind”, vooral van meisjes gebruikt. = Teuth. pyl “filiolus”, ohd. pillo m. “filiaster”, pilla v. “filiastra”. Wellicht ontleend uit lat. pûpillus, v. pûpilla “onmondige, wees”, met dissimilatie. Een ander woord is mnl. ville v. “peet-dochter”, vla. ville, villen “doopkind”, met dissimilatorischen wegval van de slot-l (vgl. pil) = ohd. fillol v. “filiola” < lat. fîliola, naast fillol m. “filiolus” < lat. fîliolus. Evenzoo os. fillul m. “peetkind”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pillegift v., het eerste lid is Mnl. pille = doopkind, dat gelijk Ohd. pillo, wellicht uit Lat. pupillus = voogdkind, terwijl Vla. ville, uit Mlat. filiolus (Fr. filleul), dimin. van Lat. filius (z. dochter).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut