Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pilaar - (steunzuil)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pilaar zn. ‘steunzuil’
Mnl. an twe pilernen ‘aan twee zuilen’ [1276-1300; CG II], aen een pilaer ‘aan een zuil’ [1285; CG II], Dar waren pilaren ende colummen ‘daar waren zuilen en kolommen’ (mv.) [1285; CG II].
Vroege ontlening aan vulgair Latijn *pilare, pilarium ‘steunzuil, pilaar’, gevormd bij klassiek Latijn pīla ‘zuil’, van onzekere verdere herkomst.
Evenzo ontleend is ohd. pfīlāri (nhd. Pfeiler).
Naast pilaar komt de nevenvorm → pijler voor, met verschoven klemtoon.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pilaar [pijler] {pilare 1285} < middeleeuws latijn pilare, als zn. gebruikte vorm van het o. van pilaris [zuil-], van pila [zuil, pijler].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pijler znw., mnl. pîler(e), pijlre m. Deze vorm is laat en zeldzaam en òf als een in sommige noordndl. streken bewaard gebleven oude vorm met beginbetoning = ohd. pfîlâri (nhd. pfeiler) m. “zuil”, os. pîleri m. “cancellus” òf als een onder hd. of ndd. invloed naast veel gebruikelijker mnl. pilâre m. (o.) (nnl. pilaar) opgekomen vorm te beschouwen. Ohd. pfîlâri enz. is een vóór-ohd. ontl. uit laat-lat. pîlâre, pîlârium (> fr. pilier, eng. pillar “zuil”; een afl. van lat. pîla “zuil”); mnl. pilâre (ook pîlaerne, -e(e)rne, ook v.), mnd. pilâr (naast pîl(e)re) m. (> laat-on. pîlârr m.) “pilaar” zijn door hernieuwde ontl. uit resp. beïnvloeding door het lat. woord te verklaren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pilaar m., Mnl. pilare, gelijk Hgd. pfeiler, Fr. pilier (van waar Eng. pillar), uit Mlat. pilare, afgel. van Lat. pila = paal (z. pijl).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pilaar s.nw.
1. Regopstaande stut van 'n deel van 'n gebou, suil. 2. Steun.
Uit Ndl. pilaar (Mnl. pilare).
Ndl. pilaar uit Latyn pilare.
Eng. pillar, Fr. pilier.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pilaar (vulgair Latijn *pilare)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pijler, pilaar, van ’t Lat. pilare, van pila = paal.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pilaar ‘pijler’ -> Indonesisch pilar ‘pijler, paal’; Jakartaans-Maleis pilar ‘pijler’; Javaans pilar ‘pijler’; Madoerees pelar ‘stenen pilaar’; Makassaars pilârá ‘pijler’; Menadonees pilar ‘pijler’; Soendanees pilar ‘pijler’; Creools-Portugees (Ceylon) pillar ‘pijler’; Negerhollands pilaar ‘pijler’; Papiaments pilá (ouder: pilaar) ‘pijler’ (uit Nederlands of Spaans); Sranantongo pilari ‘pijler’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pilaar pijler 1285 [CG Rijmb.] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut